Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

4 politieke stijlen in de Provinciale Staten

Simon Otjes is als wetenschapper verbonden aan het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) in Groningen

Wat doen partijen eigenlijk in Provinciale Staten? Op basis van cijfers die door Reporter Radio verzameld zijn, onderscheid ik vier stijlen in de Provinciale Staten.

Grote en oppositiepartijen zijn actiever 

Als je kijkt naar de activiteit van Provinciale Statenleden, kan je snel welke partij in de oppositie zit en welke in de coalitie zit. Een partij die in het college zit, zal instemmen met het optreden en de voorstellen van de gedeputeerde staten en zal dus minder moties en amendementen indienen. Als ze zaken willen regelen kunnen ze dat informeel doen in coalitieoverleg of via toezeggingen van de gedeputeerden. Ook zullen zij minder vragen stellen omdat ze het college minder kritisch zullen benaderen. Als je kijkt naar algemene patronen dient een coalitiepartij de helft van het aantal moties in dat een oppositiepartij indient, ongeveer een kwart van het aantal amendementen en twee-derde van het aantal vragen. 

 
Figuur 1

Maar ook de grootte van een partij is een factor. Het statenlidmaatschap is een deeltijdfunctie. De tijd die statenleden hebben voor hun werk is beperkt. Als een partij meer statenleden heeft, hebben ze meer capaciteit om actief te worden. In het figuur rechts - klik voor vergroting - is te zien dat het aantal moties (streepjeslijn) en amendementen (stippellijn) gelijk oploopt met het aantal statenleden. Bij het aantal vragen zien we een opgaande beweging tot negen statenleden en daarna een neergaande beweging. Vragen zijn dus een middel dat minder vaak gebruikt wordt door de grootste partijen in vergelijking met middelgrote partijen. 

Vier politieke stijlen 

Dat zijn hele voorspelbare patronen. De interessante vraag is wat er gebeurt als je hiermee rekening houdt. Zijn er partijen die vaker gebruik maken van vragen of amendementen? In eerder onderzoek onderscheiden Tom Louwerse, Arco Timmermans en ik vier politieke stijlen in de Tweede Kamer: 

  • 1. 
    een actieve stijl waarbij een partij gebruik maakt van alle parlementaire middelen die voor beschikbaar zijn;
  • 2. 
    een passieve stijl waarbij een partij relatief weinig gebruik maakt van deze middelen;
  • 3. 
    een constructieve stijl waarbij de nadruk ligt van het doen van tegenvoorstellen (zoals amendementen); 
  • 4. 
    en een kritische stijl waarbij de nadruk ligt op het controleren het college (door het stellen van vragen). 
 
Figuur 2

Deze verschillende stijlen zien we ook terug in de Provinciale Staten. In het figuur rechts - klik voor vergroting - staat het aantal amendementen (verticale as) en vragen (horizontale as) per partij weergegeven als we rekening houden met de grootte van de partij en collegedeelname[1]. Zijn er partijen die dan verschillen in activiteit? Leggen sommige partijen meer de nadruk op vragen en dus op het controleren van de gedeputeerden dan we op basis van hun grootte en collegedeelname kunnen verwachten of leggen andere partijen juist meer nadruk op het maken van beleid?

Door de stippellijnen (de gemiddelden) kunnen we vier kwadranten onderscheiden: D66, CDA, ChristenUnie, VVD en PvdA hebben een constructieve stijl in de staten. Zij dienen bovenmatig veel amendementen in, maar stellen minder vragen. D66 en ChristenUnie hebben ook in de Tweede Kamer een constructieve politieke stijl. Het CDA, PvdA en VVD zijn in de Provinciale Staten actiever dan dat zij in de Tweede Kamer zijn.

De SP en de PVV hebben een kritische politieke stijl in de staten. Zij stellen vaak vragen, maar maken weinig gebruik van amendementen. Deze partijen kiezen er niet voor om tastbare successen te boeken in de statenzaal, maar door vragen te stellen misstanden onder de aandacht te brengen. Zo stellen deze partijen zich ook op de in Tweede Kamer. 

De PvdD en GL hebben een actieve politieke stijl in de staten. Zij dienen bovenmatig veel amendementen én vragen in. Ook landelijk zijn de PvdD en GL actieve partijen. 

50Plus en SGP hebben een passieve stijl. Zij maken weinig gebruik van het vragen- of het amendementrecht. In de Tweede Kamer is 50Plus ook passief, maar is de SGP juist constructief.

Succes 

We kunnen op een zelfde manier naar succes kijken: worden amendementen van partijen aangenomen? Uit literatuur over nationale parlementen weten we dat de voorstellen van oppositiepartijen vaker verworpen worden dan de voorstellen van coalitiepartijen. Dat zien we ook in de provincie: over het algemeen worden twee keer zoveel moties aangenomen van coalitiepartijen ten opzichte van oppositiepartijen. Voor amendementen is dit zelfs 4.5 keer zo veel.

 

In het figuur rechts - klik voor vergroting - geef ik weer welke partijen succesvoller zijn, als we rekening houden met collegedeelname.[2] Het CDA en de CU scoren het best waar het gaat om moties. Als oppositiepartijen krijgen zij bijna de helft van hun moties aangenomen. De CU krijgt ook bijna de helft van haar amendementen aangenomen. Deze middenpartijen zijn dus vrij succesvol. Dat geldt ook voor D66. Dit zijn ook juist de partijen die zich constructief opstellen in de Provinciale Staten. Deze partijen willen dus in de eerste plaats beleid beïnvloeden door (haalbare) amendementen in te dienen.

Het minst succesvol zijn de Partij voor de Dieren, de SP en de PVV: zij krijgen, als oppositiepartij, minder dan een kwart van hun moties aangenomen en minder dan één op de zeven amendementen. Ook in de Tweede Kamer zijn deze partijen niet vaak succesvol. 

Landelijk en lokaal vergeleken

De patronen die we in de statenzalen vinden, weerspiegelen de opstelling van veel van deze partijen landelijk: de ChristenUnie is een constructieve partij, terwijl de SP en de PVV zich veel kritischer opstellen. Dat zegt dus iets over hoe deze partijen politiek opereren, de voorkeur die er in de partij leeft voor bepaalde middelen. Het meest opvallende onderscheid vinden we voor het CDA, die stelt zich als zij een oppositiepartij in de Provinciale Staten is, constructiever op dan dat zij nu doet in de Tweede Kamer. In de Tweede Kamer kiest het CDA voor een 'passieve' opstelling, mogelijk omdat zij verwachten, als natuurlijk regeringspartij, binnenkort in het kabinet te komen. Ze houden hun kruit tot die tijd liever droog. Die oppositionele stijl zien we niet terug in de Provinciale Staten.

[1] Voor de methodologen: ik heb twee poisson regressie-analyses gedraaid dat het aantal vragen en amendementen dat partijen per provinciale staten indient, verklaart aan de hand van de grootte, grootte-in-het-kwadraat, collegedeelname van de partij en een partijdichotomie. Zo kunnen we kijken hoe een partij presteert als we rekening houden voor deze factoren. De cijfers die in de figuur staan zijn de verwachte waarden uit deze regressie-analyses voor een oppositiepartij met 5 zetels.

[2] Voor de methodologen: ik heb een OLS-regressie-analyse gedraaid van percentage aangenomen moties per partij per provincie met coalitiedeelname en partij als onafhankelijke variabelen.  


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 30 maart 2015.