Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

‘De Oorlog tusschen grootmachten in Europa ....' - Spoedvergadering der Tweede Kamer (1914)

Als het spant, stokt de adem. Wie verwacht zou hebben, dat het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de Tweede Kamer aanstonds aanleiding heeft gegeven tot breedvoerige analyses van de internationale situatie, vergist zich. De Kamer werd in spoedvergadering bijeen geroepen, voor de behandeling van enige dringende zaken. 

Voorzitter Goeman Borgesius sprak een kort openingswoord. De 'Bor' -zoals zijn bijnaam luidde -had de reputatie, dat hij zich in nerveuze verstrooidheid wel eens versprak. Vrouwenkiesrecht kon, onder het geproest der Kamerleden, plotseling 'kouwe vriesrecht' gaan heten. Ditmaal werd van geen verspreking melding gemaakt. De 'tijdelijke voorzitter' van de ministerraad, Cort van der Linden, antwoordde.

Aangezien de SDAP in 1913 regeringsverantwoordelijkheid in een burgerlijk kabinet geweigerd had te aanvaarden, leidde Cort slechts een vrijzinnige minderheid. Hij was al op hoge leeftijd: een patriarch klein van gestalte; met een grijze baard. Hij durfde de verantwoordelijkheid aan. Volgens zijn ambtgenoot Treub bezat hij het geheim in plechtige ogenblikken de juiste snaar te treffen. 

Nu doet zijn betoog toch wat clichématig aan. Maar een ieder raakte onder de indruk van zijn kalme waardigheid. Dat betekende niet dat hij een groot redenaar was. Of dat hij een melodieus stemgeluid bezat. Het is wel eens vergeleken met het stille van een koele trotse zwaan op een heldere vijver; volgens een andere toehoorder had het iets bijtends. 

In de Eerste Kamer sprak hij even later dezelfde tekst uit! De Tweede Kamer wilde zich uiteraard wel laten horen. Maar eerst werden de spoedzaken afgehandeld -zonder discussie. Van minister Treub lag er een voorstel om prijsopdrijvingen, hamsteren tegen te gaan. In een weekend was het door hem ontworpen, door de ministerraad behandeld, door de Koningin getekend en door de Raad van State, ijlings teruggeroepen, van advies voorzien. Nu passeerde het  op één dag beide Kamers. 

Sneller levensloop, schreef de ambitieuze Treub trots, had wel nooit een wetsontwerp gehad. Doch dit deel van het debat is hier niet opgenomen. 

Handelingen Tweede Kamer, 3 augustus 1914

De Voorzitter: Mijne Heeren! Met het oog op de hoogst ernstige en ongunstige tijdsomstandigheden is de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor een spoedvergadering door mij bijeengeroepen. Sinds den dag der bijeenroeping is de toestand nog verergerd. De oorlog tusschen grootmachten van Europa, sinds lang gevreesd, maar door de kolossale verantwoordelijkheid, aan het in het leven roepen van dien toestand verbonden, schier onmogelijk geacht, is helaas thans droeve werkelijkheid geworden, waardoor zelfs de afschuwelijke moorden, ook die welke in de laatste dagen nog te Parijs is gepleegd, uit den aard der zaak op den achtergrond treden. 

En al blijft ook ons vaderland, wat wij allen innig en vurig hopen, voor de directe verschrikking van een oorlog bewaard en gevrijwaard, de gevolgen van de Europeesche spanning en van hetgeen buiten onze grenzen voorvalt, laten zich ook in ons land, voornamelijk op economisch en financieel gebied, in die mate gevoelen, dat daardoor alleen reeds de terugkomst, de medewerking van de Volksvertegenwoordiging - ook de Eerste Kamer zal heden bijeenkomen -noodzakelijk wordt. 

In dagen als wij thans beleven is de plicht van elke Volksvertegenwoordiging om met terzijdestelling van alles wat maar eenigszins op partijstrijd gelijkt, onverdeeld en eendrachtig samen te werken en al het mogelijke te doen wat strekken kan om de veiligheid en de zelfstandigheid van ons volk te verdedigen en te beschermen. 

Moge het ons gelukken in den kortst mogelijken tijd die maatregelen van voorziening en noodweer tot stand te brengen, die onder de bestaande omstandigheden op dit oogenblik noodzakelijk blijken. 

Ik geef thans het woord aan den Minister van Binnenlandsche Zaken, tijdelijk voorzitter van den Ministerraad. 

De heer Cort van der Linden, Minister van Binnenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter! De Regeering heeft bij u aangedrongen op bijeenroeping van de Tweede Kamer der Staten-Generaal met ongewonen spoed. De Regeering is van oordeel dat 's lands belang dringend eischt dat verschillende wetsontwerpen door H.M. de Koningin aangeboden, heden de Eerste Kamer bereiken en door haar in behandeling kunnen worden genomen. 

Een buitengewoon zware taak heeft in deze bange dagen de Regeering te vervullen. Hare Majesteit de Koningin, ook in deze dagen één van zin met haar volk, en haar verantwoordelijke Ministers hebben het Nederlandsche volk te leiden te midden van moeilijkheden en gevaren, die zoo diep ingrijpen in het leven der menschheid, dat slechts zelden in de geschiedenis der volken de wederga is te vinden.

De Regeering zoude hare verantwoordelijkheid nauwelijks kunnen dragen indien zij niet zeker was van den wil van ons volk om alles te doen wat zijn harde plicht eischt. Wij zijn gereed en besloten onze onzijdigheid en, moet het, ons volksbestaan te handhaven met al onze krachten. Ons voegend naar Gods wil wachten wij vastberaden en koelbloedig af wat de toekomst brengt.

De Regeering rekent op de trouwe medewerking der Staten-Generaal. Zij heeft het vaste vertrouwen dat deze, zich verheffend boven alles wat in gewone tijden verdeelt, bezield is met de gedachte aan de eenheid en het behoud van ons dierbaar vaderland. 

De Voorzitter: Ik deel aan de Vergadering mede, dat de Centrale Afdeeling heeft besloten om terstond in de afdeelingen te doen onderzoeken de volgende wetsontwerpen: 

  • Langer in dienst houden van ingelijfden bij de militie (348); 
  • Langer in dienst houden van dienstplichtigen bij de landweer (349);
  • Wijziging van het octrooi der Nederlandsche Bank (351); 
  • Inlijving van lotelingen der lichting 1914 (352); 
  • Onder de wapenen blijven van dienstplichtigen (353);
  • Aanvulling en verhooging van het VIIIste hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1914 (Buitengewoon krediet) (354) ; 
  • Aanvulling der Onteigeningswet ter voorkoming van vasthouding en prijsopdrijving van waren (355); Inlijving van ingeschrevenen voor de lichting der militie van 1915 (356); 

Verder stel ik voor om 12 uur een openbare vergadering te houden, in de hoop dat het afdeelingsonderzoek zal zijn afgeloopen, en alsdan het eerst aan de orde te stellen het wetsontwerp tot verbod van uit-, door-en vervoer van sommige artikelen (71), waaromtrent zooals bekend is het Eindverslag reeds is uitgebracht. 

De vergadering wordt tot 12 uur geschorst. 

De vergadering wordt hervat. 

De Voorzitter: Ik deel aan de Kamer mede:

(a) dat de afdeelingen hebben benoemd tot rapporteurs voor de wetsontwerpen:

  • Langer in dienst houden van ingelijfden bij de militie (348);
  • Langer in dienst houden van dienstplichtigen bij de landweer (349); 
  • Wijziging van het octrooi der Nederlandsche Bank (351); 
  • Inlijving van lotelingen der lichting 1914 (352); 
  • Onder de wapenen blijven van dienstplichtigen (353); 
  • Aanvulling en verhooging van het VIIIste hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1914 (Buitengewoon krediet) (354); 
  • Aanvulling der Onteigeningswet ter voorkoming van vasthouding en prijsopdrijving van waren (355); 
  • Inlijving van ingeschrevenen voor de lichting der militie van 1915 (356);, de heeren Patijn, Loeff, De Meester (voorzitter der Commissie), Van Raalte en Van Doorn; 

(b) dat over deze wetsontwerpen reeds eindverslag is uitgebracht. Ik verzoek den heer griffier dit eindverslag voor te lezen.

De griffier doet voorlezing van het volgende verslag:

'Ofschoon omtrent de verschillende voorstellen der Regeering tal van beschouwingen en opmerkingen zouden zijn te maken, rekende men het in de gegeven omstandigheden gewenscht, zich te onthouden van alles, wat vertraging van afdoening met zich zou brengen en was men algemeen van meening, dat deze wetsontwerpen zonder wijziging behooren aangenomen te worden.' 'De Commissie van Rapporteurs acht hiermede de openbare beraadslaging dezer wetsontwerpen voldoende voorbereid.' 

Handelingen Staten-Generaal 1913-1914 II, p. 2584/2585

Literatuur: 

  • Van Welderen Rengers t.a.p. IV (C.W. de Vries) p. 36 
  • M.W.F. Treub: Oorlogstijd Haarlem/Amsterdam 1917 p. 78 

Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 31 augustus 2015.