Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De (midden)scholen zijn nog niet begonnen

woensdag 26 februari 2020, 9:32, analyse van Lennart Steenbergen

Vorige week overleed Jos van Kemenade, minister van Onderwijs in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). De PvdA-politicus heeft vooral bekendheid verworven als pleitbezorger van de middenschool, een geïntegreerd voortgezet onderwijs voor twaalf- tot vijftienjarigen waarin de verschillende leerniveaus zouden opgaan. De middenschool werd de blikvanger van de onderwijsvernieuwing in de jaren zeventig, maar het plan ging uiteindelijk aan zijn eigen ambities ten onder.

Sindsdien zijn er meermaals nieuwe plannen gelanceerd voor hervormingen in het onderwijsstelsel, in verschillende gedaanten. En de ironie van de geschiedenis doet zich gelden: anno 2020 lijkt de middenschool weer terug van weggeweest. ‘Onderwijslobby blaast nieuw leven in de middenschool’, kopte de Volkskrant 21 januari jongst leden. De huidige Onderwijsminister Arie Slob (ChristenUnie) reageerde voorzichtig op de plannen van het zogenoemde ‘Onderwijspact’: hij moedigt scholen aan volop te experimenteren met brede brugklassen en andere vormen van uitgestelde keuzes, maar ziet niets in nieuwe landelijke blauwdrukken.

Experimenten en blauwdrukken: het zijn dé centrale begrippen van de politieke middenschoolproblematiek in de jaren zeventig. De middenschool maakte deel uit van een totaalkader ofwel blauwdruk, zoals beoogd door het kabinet-Den Uyl, waarin een toekomstbeeld voor het onderwijs als geheel werd uitgewerkt. Onderwijsvernieuwing voorzag in de spreiding van kennis, waarmee educatie makkelijker toegankelijk zou worden voor iedereen. De vernieuwingsidealen ten spijt, overheerste in het politieke debat al snel het gesteggel over de functie en de betekenis van de experimenten met de nieuwe schoolvorm, wat sterk bijdroeg aan het uiteindelijke echec van de middenschool.

De middenschool was overigens beslist geen uitvinding van Van Kemenade. Bewindslieden in de voorgaande kabinetten-De Jong en -Biesheuvel hadden zich al uitgesproken vóór de nieuwe schoolvorm en wensten experimenten op dit terrein. Deze beleidsvoornemens waren opgenomen in de memorie van toelichting bij de eerste onderwijsbegroting van minister Van Kemenade in het najaar van 1973. Uitstel van de studie- of beroepsrichting via de middenschool zou de individuele ontplooiing van leerlingen en de kansengelijkheid in het onderwijs bevorderen. Om deze onderwijsidealen te verwezenlijken, wilde de minister aanstalten maken met middenschoolexperimenten.1

Socialistisch spuitje

De progressieve signatuur van de onderwijsbegroting werkte als een rode lap op een stier bij de rechtse oppositie. Aangewakkerd door VVD-onderwijswoordvoerster Neelie Smit-Kroes, sloeg de vlam in de pan in de media. Zo kopte De Telegraaf dat het onderwijs werd bedreigd door het ‘socialistische spuitje’ van Van Kemenade cum suis.

De gepolariseerde sfeer werkte door tijdens de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer in februari 1974. Het debat stond grotendeels in het teken van de aard van de experimenten. Een breed palet van CHU, ARP, KVP en VVD benadrukte dat de op handen zijnde vernieuwingstrajecten niet noodzakelijkerwijs hoefden te leiden tot de algemene invoering van de middenschool. Er moest ruimte blijven voor het mislukken van de experimenten. De vraag was volgens deze fracties dus niet hoe de middenschool vorm moest krijgen, maar of deze er überhaupt moest komen. Na aandringen van Gerard van Leijenhorst (CHU), Ad Hermes (KVP) en Henk Vonhoff (VVD) deed Van Kemenade in zijn beantwoording uiteindelijk geen afstand van de door tegenstanders opgeworpen of-vraag. Het invoeringsbesluit was volgens de minister uiteindelijk een politieke keuze; het niet-doorgaan van de middenschool bleef tot de mogelijkheden behoren.2 In een motie van Vonhoff werd nog eens geëxpliciteerd dat ‘experimenten niet alle gericht moeten zijn op de vraag hoe de middenschool moet worden georganiseerd, maar ook of een dergelijke schoolsoort wenselijk en realiseerbaar is’.3 Vonhoff trok de motie in datzelfde debat nog in, nadat voor hem duidelijk was geworden dat Van Kemenade de of-vraag open liet staan. De uitkomsten van de experimenten bleven vatbaar voor uiteenlopende interpretaties.

De precieze bedoeling achter de experimenten bleef derhalve onduidelijk. Hiermee werd de kiem gelegd voor een stelselmatige vertraging achter het vernieuwingsproject van de middenschool. De experimenten hadden een ambivalente werking: voorstanders van de middenschool zagen in de experimenten een bevestiging dat hervormingen in het onderwijsstelsel in de maak waren, terwijl middenschoolsceptici juist gebaat waren bij de zweem van onduidelijkheid die om de experimenten hing.

Behoedzame procedure

Bij de begrotingsbehandeling in december 1975 was het gesteggel nog steeds gaande. Het gros van de Kamer verzocht de minister niet te hard van stapel te lopen met de middenschoolexperimenten, daarnaast wenste zij uitdrukkelijk betrokken te blijven bij het uiteindelijke besluit over de invoering van de nieuwe school. De misverstanden over de invoering van de middenschool waren in de media ondertussen een eigen leven gaan leiden. Zowel verbaasd als geïrriteerd, verzocht Van Kemenade de Kamer te stoppen de middenschool voor te stellen als een voldongen feit:

 

U weet, dat in deze Kamer één en andermaal is gezegd, dat met experimenten wordt begonnen, dat evaluaties zullen plaatsvinden, dat de zaken zullen worden bekeken. Er is een strategie van invoering, een uiterst behoedzame procedure. Men moet nu toch eens echt ophouden met de suggestie te wekken, alsof deze Minister nu plotseling middenscholen staat in te voeren. Er zijn zelfs al ouders geweest, die het departement hebben opgebeld naar aanleiding van dat soort verhalen om te vragen, waar zij het volgende jaar hun kind op een middenschool zouden kunnen doen. Ik heb hen moeten teleurstellen.4

Van Kemenade besefte in hetzelfde debat tot zijn teleurstelling: 'De scholen zijn nog niet begonnen.' De middenschool zou ook nooit opengaan. Niettemin zijn plannen voor de middenschool, of iets met een soortgelijke onderwijskundige insteek, in de decennia na de jaren zeventig af en toe weer komen bovendrijven. Nu dus weer. De jaren zeventig leren in ieder geval: juist nu de huidige onderwijsminister Slob experimenten met nieuwe schoolvormen aanmoedigt, moeten voorstanders van de middenschool als een bok op de haverkist zitten.

Lennart Steenbergen is historicus en verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis.

  • Dit is een licht gewijzigde versie van een artikel dat eerder verscheen op de website van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG).

[1] Handelingen II, 1973/74, 12.600 Hoofdstuk VIII, nr. 2, pp. 14-15. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000208078

[2] Handelingen II, 1973-1974, 27 februari 1974, p. 2765. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000205053

[3] Handelingen II, 1973-1974, 28 februari 1974, pp. 2852-2853. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000205054

[4] Handelingen II, 1975-1976, 11 december 1975, p. 1939. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000193023