Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Digitaal vergaderen mag, maar nu nog niet

Op de ochtend van de 10e mei 1940 begaf het sociaaldemocratische Tweede Kamerlid W. Drees zich van zijn woning bij Scheveningen naar de Tweede Kamer, terwijl de eerste Duitse bommen op de stad neerdaalden. Onderweg haalde een mevrouw hem enige tijd naar binnen om daar te schuilen. Opnieuw vielen er bommen, toen hij en de katholieke Kamervoorzitter Van Schaik bij het Binnenhof aankwamen. Onder de toegangspoort hoopten zij even veilig te zijn, hoewel beiden wisten dat de bommen waarschijnlijk waren bedoeld voor het Binnenhof.1

Kamerleden die Den Haag nog hadden kunnen bereiken vergaderden ondanks al dit angstwekkende geweld in de middag kort om hun voorzitter in de gelegenheid te stellen zijn verontwaardiging over een onaangekondigde oorlog en de schending van Nederlands zelfstandigheid te uiten. Van Schaik had ook de minister-president, D.J. de Geer, uitgenodigd in de Kamer te verschijnen om een verklaring af te leggen. De Geer, die in een beveiligde kelder onder het ministerie van Economische Zaken zat met zijn kabinet weigerde. Hij wilde het risico niet lopen. Hem ontbrak de moed die de Kamerleden wel hadden getoond.

Vergeleken met de Duitse bezettingsoperatie in 1940 is de uitbraak van het coronavirus in Nederland en de rest van de wereld weliswaar geen te verwaarlozen kleinigheid, maar van zoveel minder gevaar dat niet vergaderen en niet bijeenkomen op het Binnenhof onvoorstelbaar zou zijn. Er kan maar één reden zijn om in deze omstandigheden niet te vergaderen en die is dat een meerderheid aan leden wegens besmetting door het virus gedwongen thuis of in het ziekenhuis in quarantaine verblijft. Wel moet de vergadering zo worden ingericht dat de leden – a fortiori het personeel van beide Kamers – geen onnodig risico loopt te worden besmet. Het virus is immers geen onschuldig griepvirus.

Het is aannemelijk dat normaal vergaderen, plenair en in allerlei commissieverband, als het ware opnieuw moet worden georganiseerd om het zo veilig mogelijk te maken. Dat kan betekenen dat de ruimten op het Binnenhof niet voldoende geschikt zijn. Dat geldt voor de Eerste Kamer met zijn kleine ruimten meer dan voor de Tweede Kamer. De Grondwet schrijft echter niet voor waar de vergaderingen van de beide Kamers dienen plaats te vinden. Als er groter en meer diverse ruimten nodig zijn, zijn die in Den Haag en desnoods buiten Den Haag te vinden. Er bestaat al helemaal geen voorschrift voor de plaats waar het ondersteunend personeel zijn werk moet doen. Bepalend is slechts dat het werk van de beide Kamers dient te worden voortgezet.

Er is dus geen gewichtige reden waarom de Tweede Kamer en de Eerste Kamer niet zouden vergaderen, tenzij het quorum niet bijeen kan worden gebracht. Misschien moet korte tijd de vergadering worden opgeschort om de accommodatie ervoor te organiseren. Daarbij alle risico ontlopen is niet mogelijk, maar volksvertegenwoordigers zijn niet gekozen om elk gezondheidsrisico te vermijden, zelfs als levensgevaar niet helemaal valt uit te sluiten. Gelukkig was dat voor mensen als Drees en Van Schaik in 1940 geen maatstaf.

Daarmee is tevens een antwoord gegeven op de vraag of in de gegeven omstandigheden moet worden overgegaan op digitaal vergaderen. Op verzoek van de Eerste Kamer heeft de Raad van State daarover in recordtempo een ‘Voorlichting’ uitgebracht. De Raad kiest daarin voor de gedachte dat de Grondwet digitaal vergaderen niet principieel uitsluit, mits aan alle grondwettelijke voorschriften in termen van openbaarheid en rechten van het individuele Kamerlid volledig recht wordt gedaan. Het quorum hoeft ook niet per se alleen met de pen op papier te worden vastgesteld. Dat gebeurt nog wel in de Eerste Kamer maar in de Tweede Kamer volstaat het gebruik van de pas bij de toegangspoortjes om als aanwezig te zijn geregistreerd. De Raad legt de lat terecht hoog. Bovendien vindt hij dat de beide Kamers en de regering het eens moeten worden over de vereiste procedures en omgangsvormen. Vertrouwelijk vergaderen en geheime stemming langs elektronische weg sluit hij bovendien uit.2

De lat ligt zo hoog, dat je je in ernst kan afvragen of digitaal vergaderen – dat betekent: beraadslagen en besluiten – nu al zonder ongelukken mogelijk is. Het zou ook wel gek zijn als een land waarin nog steeds met potlood moet worden gestemd zou toelaten dat zijn volksvertegenwoordiging wel haar werk elektronisch zou verrichten. Laat staan, zo lang dat niet nodig is.

Het verdient wel degelijk overweging om over digitaal vergaderen nog eens goed en systematisch na te denken, te meer nu het Binnenhof sowieso onderhanden moet worden genomen. Zodat het naar behoren kan, zodra het echt zou moeten. Zo kunnen elektronische alternatieven – al dan niet voor noodgevallen - worden overwogen met de daarvoor vereiste bedenktijd in plaats van die inderhaast te moeten regelen, zoals nu even leek te gaan gebeuren. Want zelfs de Voorlichting van de Raad van State toont her en der tekenen van haastwerk, hoe begrijpelijk ook.

Terzijde: op de lijst van cruciale beroepen en vitale processen van de rijksoverheid ontbreken bewindspersonen, (gemeente)bestuurders en volksvertegenwoordigers, respectievelijk het democratische besluitvormingsproces. Is het onnadenkendheid geweest of de bekende valse bescheidenheid van politici, die vooral niet bijzonder willen worden gevonden? Hun ambt is wel cruciaal en hun arbeid is van vitaal belang; het is ook bijzonder. Daarom mag ook van hen worden verlangd dat zij meer risico aanvaarden dan gewone burgers.

Prof.dr. J.Th.J. van den Berg is fellow van het Montesquieu Instituut en emeritus hoogleraar aan de Universiteit Leiden (parlementaire geschiedenis) en Maastricht (parlementair stelsel). Hij is oud-lid van de Eerste Kamer.

 

[1] Hans Daalder, Gedreven en behoedzaam. Willem Drees 1886 – 1988. De jaren 1940 – 1948, Amsterdam: Balans, 2003.

[2] Kamerstukken I, vergaderjaar 2019 – 2020, CXXXIX. Functioneren van de Eerste Kamer in crisistijd. E. Brief van de Vice-President van de Raad van State.