Over lage opkomst en politieke ongelijkheid

dinsdag 12 april 2022, 12:00, analyse van Josje den Ridder & Paul Dekker

“Geringe opkomst tast legitimiteit van het bestuur aan”, kopte NRC daags na de gemeenteraadsverkiezingen. Op 22 maart 1990. Ook toen maakte men zich zorgen over de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen, die wij nu met 62,5% in retroperspectief hoog zouden noemen. Vergelijk dat eens met de 50,9% die op 16 maart 2022 de gang naar de stembus maakte. Een maand na 16 maart, maken we een voorlopige balans op: wat is er aan de hand en wat is eigenlijk het probleem?

Opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen daalt steeds verder

Sinds de afschaffing van de opkomstplicht in 1970 daalde de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen: van rond de 70% in de jaren tachtig, naar ongeveer 60% in de jaren negentig en nul, naar 55% in de afgelopen tien jaar. Nu is de opkomst met 50,9% lager dan ooit. Dat het nog lager kan, zien we bij de verkiezingen voor het Europees Parlement waar in 2019 42% ging stemmen. Toch is er een belangrijke kanttekening bij deze sombere cijfers: de opkomst bij Tweede Kamerverkiezingen schommelt rond de 80% en blijft daarmee hoog – ook in internationaal opzicht.

Gebrek aan interesse en niet kunnen kiezen op lokaal niveau nog belangrijker

Door politicologen is er vaker op gewezen dat kiezers bewuster zijn gaan kiezen. Ze kiezen tussen meer partijen en bepalen steeds later of ze gaan stemmen en op welke partij. Het proces van kiezen en stemmen is voor veel mensen, zeker voor jongeren, geen gewoonte meer. Kiezers gaan doorgaans naar de stembus als ze een bestuurslaag van belang achten en vinden dat er iets op het spel staat. Intensieve campagnes en media-aandacht helpen daarbij. Bij Tweede Kamerverkiezingen hebben veel mensen het gevoel dat de verkiezingen ergens over gaan. Bij gemeenteraadsverkiezingen lijkt dat veel minder het geval.

Uit het lokaal kiezersonderzoek van 2018 blijkt dat de interesse in de lokale politiek veel lager is dan in de landelijke politiek. Lokaal nieuws wordt minder gevolgd dan landelijk nieuws. Waar 77% zegt het landelijke politieke nieuws op hoofdlijnen te volgen, volgt slechts 57% het lokale nieuws. Er wordt wel gezegd dat de gemeente dicht bij de mensen staat, maar een aanzienlijk deel van de mensen denkt dat de gemeente weinig invloed heeft op hun dagelijks leven en meer Nederlanders voelen zich verbonden met Nederland als geheel dan met hun wijk of gemeente.

Uit onderzoek naar niet-stemmers weten we dat jongeren, mensen met een lagere opleiding en mensen met een migratie-achtergrond vaker thuisblijven bij zowel lokale als landelijke verkiezingen. Jansen en Denters laten zien dat de groep die bij landelijke verkiezingen wel gaat stemmen maar lokaal thuisblijven “vaker bestaat uit jongeren, mensen die weinig invloed aan de gemeente toekennen, en mensen die zich minder verbonden voelen, met name met hun wijk of dorp, gemeente en streek, maar ook minder met Europa.”

De opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen is dus altijd al laag – zeker in vergelijking met die van Tweede Kamerverkiezingen – en de kleine verdere daling in 2022 past in een dalende trend. Specifiek voor 2022 is er dan nog extra weinig aandacht voor deze lokale verkiezingen door het oorlogsnieuws en waarschijnlijk ook wel wat meer ‘klaar zijn met politiek’ na de lange formatie en al het andere Haagse gedoe van 2021.

Het probleem van een lage opkomst: politieke ongelijkheid

De opkomst mag dan lager zijn dan ooit, de zorgen over de lage opkomst zijn zeker niet nieuw. Er zijn drie redenen waarom een lage opkomst problematisch is. In de eerste plaats kan opkomst gezien worden als graadmeter voor het welzijn van de democratie: opkomst zou getuigen van betrokkenheid. In de tweede plaats ondergraaft een lage opkomst toekomstige participatie. Als mensen thuisblijven, zo blijkt uit onderzoek, dan is de kans kleiner dat ze bij volgende verkiezingen wel gaan stemmen. De derde reden waarom een lage opkomst een probleem is, heeft te maken met de gevolgen van ongelijkheid in opkomst: bevolkingsgroepen met lage opkomst dreigen structureel ondervertegenwoordigd te worden in de lokale of landelijke politiek. Hun opvattingen en belangen worden minder goed gehoord en komen mede daardoor minder goed tot uitdrukking in beleid. En dat is strijdig met het ideaal van politieke gelijkheid dat ten grondslag ligt aan onze representatieve democratie.

Wie iets wil doen aan de lage opkomst, doet er daarom goed zich niet alleen te richten op het omhoog krijgen van het opkomstcijfer, maar ook op het achterliggende probleem van politieke ongelijkheid. Dat betekent dat politici en beleidsmakers zich niet alleen moet richten op de zogenoemde ‘situationele niet-stemmers’ of ‘toevallige thuisblijvers’, maar juist ook op groepen waarin niet-stemmen de norm is en die structureel ondervertegenwoordigd dreigen te raken.

 

Deze bijdrage is een bewerking van een blog dat op 17 maart 2022 verscheen op het politicologische blog www.stukroodvlees.nl

 

Josje den Ridder is politicoloog en werkt als senior onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau. Ze doet onderzoek naar de Nederlandse publieke opinie en politieke participatie.

Paul Dekker is hoogleraar Civil society aan Tilburg University en werkte tot eind 2020 bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.