Wie heeft de formatie gewonnen en verloren?

maandag 2 februari 2026, 14:00, Dr. Simon Otjes

Als er een coalitieakkoord wordt gepresenteerd, bladeren de echte nerds naar de bijlagen met de begrotingstabellen. Papier is geduldig: fractievoorzitters kunnen pijnlijke maatregelen verbloemen in prachtig proza. Extra belasting voor burgers en bedrijven wordt een ‘vrijheidsbijdrage’, maar in de begrotingstabellen worden de echte keuzes gemaakt. Hierin kunnen we ook zien wie de echte winnaars en verliezers zijn.

D66 verliezer van de formatie; CDA en VVD winnaars

Samen met David Willumsen ontwikkelde ik een methode om onderhandelingen te analyseren. We leggen de CPB-doorrekeningen van de programma’s naast de begrotingstabellen. Immers deze maken gebruik van heel vergelijkbare items. Zo kan je zien wie zijn beloften in het akkoord gekregen heeft en wie daar minder goed in geslaagd is: als een voorstel van een partij in het akkoord is gekomen krijgt de partij een score “1” voor dat voorstel, zo niet krijgen ze de score “0”.

D66 diende bij het CPB in totaal 196 voorstellen in, gevolgd door het CDA met 130 en de VVD met 87. De bijbehorende begrotingstabellen telden 72 afzonderlijke posten. Van de voorstellen van D66 vonden er uiteindelijk 46 hun weg naar het akkoord. Dat komt neer op net meer dan een kwart van het verkiezingsprogramma. Zo werd op initiatief van D66 het terugdraaien van de bezuinigingen op brede brugklassen opgenomen. Ook het samenvoegen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget tot één uniforme regeling kwam uit de koker van D66.

Het CDA zag 41 van zijn voorstellen terug in het akkoord, goed voor 33 procent van het programma. Enkele maatregelen, zoals het herstel van de waterkwaliteit en de invoering van een suikerbelasting, kwamen op voorstel van de CDA in het akkoord. De VVD wist 29 voorstellen binnen te halen, wat overeenkomt met 34 procent van haar plannen. Daaronder vielen onder meer bezuinigingen op de zorg voor gehandicapten en ouderen. Ook stelden zij het koppelen van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting voor.

Tien voorstellen uit het regeerakkoord zijn niet terug te vinden in de doorrekeningen. Dat geldt voor kleine voorstellen, die niet in de doorrekening worden opgenomen zoals “Commissie sociaal minimum BES”. Maar ook grotere voorstellen vinden we niet terug. Zo zit in het akkoord een “tabelcorrectiefactor die beperkt toegepast wordt in de inkomstenbelasting” van 3,4 miljard. Dat is ambtenarentaal voor hogere inkomstbelastingen. Dit kwam in het akkoord ondanks het feit dat het CDA 3,3 miljard aan lagere lasten op arbeid en inkomen beloofd had. De VVD stelde 7,7 miljard aan lagere lasten op deze post en D66 zelfs 30,9 miljard aan lagere lasten hierop.

Als je een plan in de bijlage van het akkoord krijgt, betekent dat nog niet dat je het gehele bedrag dat je wilde in het akkoord krijgt. We kunnen dus ook voor ieder voorstel berekenen welk aandeel in het akkoord kwam. Het laagste percentage zien we voor de plannen van het CDA voor duurzame energie. Ze wilden 800 miljoen extra aan duurzame-energiesubsidies. Dat werd 8 miljoen (1%). Het hoogste percentage zien we voor de bezuinigingen op het openbaar bestuur. De VVD en het CDA wilden 200 miljoen bezuinigen op het openbaar bestuur. In het regeerakkoord staat een bezuiniging van 1.4 miljard onder de bezwerende woorden “slagvaardige overheid”. Bijna de helft van ieder CDA-voorstel kwam in het akkoord. De VVD krijgt een derde van ieder voorstel in het akkoord. D66 krijgt van ieder voorstel slechts minder dan een kwart in het akkoord.

Hoe we ook kijken, D66 is de grote verliezer van de formatie. Ze zijn misschien de grootste, maar hoe je er ook naar kijkt, krijgen ze een kwart of minder van hun programma in het akkoord. VVD en CDA doen het beter, afhankelijk van hoe je kijkt: iets of veel beter. Het feit dat D66 de grootste partij was, lijkt hun onderhandelingspositie niet versterkt te hebben.

 
Figuur 1: Steun in de Coalitie en de kans om in het akkoord te komen
Figuur 1: Steun in de Coalitie en de kans om in het akkoord te komen

Figuur 1: Steun in de Coalitie en de kans om in het akkoord te komen

Willumsen en ik zagen bij  eerdere onderhandelingen dat hoe meer partijen aan tafel een voorstel steunden, des te groter de kans was dat het in het akkoord kwam. Dat zien we nu ook. Zoals Figuur 1 toont, van de voorstellen die een partij steunde, kwam slechts 16% in het akkoord. Als twee partijen een voorstel steunden kwam 40% in het akkoord. Als alle drie de partijen het voorstel steunden kwam 61% in het akkoord. Dat is relatief weinig in vergelijking met eerdere formaties. Zo kwamen plannen voor belastingen op e-sigaretten en een flexibele AOW-leeftijd niet in het akkoord.

Minderheidskabinet

Eén van de andere patronen die Willumsen en ik eerder zagen was dat naarmate er meer steun was voor een voorstel in de Tweede Kamer als geheel de kans groter is dat het voorstel in het akkoord komt. Dat lijkt raar maar is dat niet. Zeker omdat Nederland kabinetten heeft gehad zonder meerderheid in de Eerste Kamer in de periode die wij onderzochten (2006-2021), is dat niet onlogisch: de plannen van de partijen moeten brede steun hebben.

 
Figuur 2: Steun in de Tweede Kamer en de kans om in het akkoord te komen
Figuur 2: Steun in de Tweede Kamer en de kans om in het akkoord te komen

Figuur 2: Steun in de Tweede Kamer en de kans om in het akkoord te komen

Je zou eenzelfde patroon verwachten voor dit kabinet, maar dat is niet het geval. Anders dan eerdere jaren hangt plenaire steun negatief samen met de kans dat een voorstel in het regeerakkoord komt. Figuur 2 toont het patroon van de kans dat een voorstel in het regeerakkoord komt met de steun in de coalitie en plenaire steun: een neergaande lijn.

Als we dit uitdelen naar de mogelijke partijen waar deze coalitie naar zal kijken, is er een heel opvallend patroon: een plan van een de onderhandelende partijen dat GroenLinks-PvdA steunde in hun doorrekening, heeft een kans van 26% om het regeerakkoord te komen. Een plan dat JA21 steunde, heeft een 41% kans om in het regeerakkoord te komen. Dat komt deels omdat GroenLinks-PvdA met name plannen van D66 gesteund heeft en zij van de drie onderhandelende partijen het kleinste deel van hun programma in het akkoord gekregen hebben. JA21 steunt met name plannen van CDA en VVD die een groter deel van hun plannen in het akkoord krijgen.

Maar zelfs als we rekening houden met de steun van de coalitiepartijen zelf voor plannen, dan zien we een opvallend patroon: de steun van D66, CDA of VVD verhoogt de kans dat een plan in een akkoord komt, maar de steun van GroenLinks-PvdA zorgt ervoor dat een plan een ongeveer 50% lagere kans heeft om het akkoord te komen.

Je kan dit resultaat op twee manieren lezen: het kabinet sorteert erop voor om over rechts te gaan onderhandelen met JA21, BBB, SGP en CU. Plannen die zij steunen hebben een groter kans om in het akkoord te komen. Maar je zou ook kunnen zeggen: het kabinet verwacht te gaan onderhandelen met GroenLinks-PvdA en wil zijn huid duur verkopen en heeft niet alvast cadeautjes voor Jesse Klaver in het akkoord gestopt. Als het kabinet onderhandelt met GroenLinks-PvdA, zal dat voor D66 goed uitpakken.