Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Fractie en frictie

Gerrit Voerman, hoogleraar Nederlandse en Europese partijstelsel Rijksuniversiteit Groningen, directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) in Groningen 

Organisatie leidt soms tot frictie – deze les leert de parlementaire democratie regelmatig. Aan de ene kant moet een fractie in het parlement eensgezind optreden om tot effectieve politieke machtsvorming te komen. De samenwerking leidt tot onderlinge afspraken, interne coördinatie en bindende besluiten waaraan alle leden gehouden zijn – zij gaat met andere woorden gepaard met ‘fractiediscipline’. Aan de andere kant kan door deze praktijk de in de grondwet verankerde onafhankelijkheid van de parlementariër, die zich kan beroepen op een zelfstandig kiezersmandaat, in het gedrang komen. In de relatie tussen de parlementariër en de fractie waarvan hij of zij deel uitmaakt, bestaat dus in potentie een zekere spanning. Het is dan ook bepaald niet vreemd dat bij tijd en wijle Kamerleden onvoldoende ruimte voor hun eigen denkbeelden ervaren en zich (meer of minder vrijwillig) losmaken van hun fractie – of vanwege (vermeend) te eigenzinnig gedrag uit de fractie worden gezet.

Saamhorigheid door verzuiling

Afsplitsingen van fracties zijn in de Tweede Kamer dan ook geen onbekend verschijnsel. Vóór het midden van de jaren zestig kwamen ze echter zelden voor, zoals het  historisch overzicht laat zien (hierin is overigens ook de enkele keer dat een fractie zich losmaakte van de partij opgenomen). In het interbellum stapten slechts drie Kamerleden uit hun fractie. In de periode 1946-1966 kwam één afscheiding voor, toen aan het einde van de jaren vijftig vier leden de fractie van de Communistische Partij van Nederland (CPN) verlieten. Deze relatieve stabiliteit hangt samen met de verzuiling van het partijstelsel, die saamhorigheid binnen de zuilen met zich mee bracht, maar ook wel een zekere ruimte liet voor afwijkende standpunten. Met name de Katholieke Volkspartij (KVP) en haar voorganger, de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP), verenigden uiteenlopende sociaaleconomische belangen, die door verschillende fractieleden behartigd werden. Ook de PvdA kende en erkende een zekere verscheidenheid binnen haar gelederen, al was die bij haar juist niet sociaaleconomisch maar levensbeschouwelijk van aard.

Noodzaak tot partijdiscipline wordt groter

Deze betrekkelijke rust begon te veranderen in de jaren zestig. De op gang komende ontzuiling van de samenleving liet ook sporen na in de Tweede Kamer. In de eerste plaats namen de saamhorig­heid en de ideologische zekerheid, en daarmee de cohesie, binnen de zuilen en de daarmee verbonden partijen af, waardoor conflicten moeilijker te beheersen bleken. Tegelijkertijd nam door de afnemende partijbinding van het electoraat, het toege­nomen aantal zwevende kiezers en de daarmee gepaard gaande feller wordende strijd tussen de partijen de noodzaak van een gedisciplineerd optreden toe – zowel in het kabinet als in de fracties.

De ontzuiling en de afnemende partijloyaliteit van een deel van de kiezers schiep daarnaast ook ruimte voor nieuwe partijen zonder duidelijke levensbeschouwelijke of ideologische achtergrond. Vaak waren dit belangenpartijen, zoals de Boerenpartij, de Nederlandse Middenstandspartij (NMP) of het Algemeen Ouderenverbond (AOV). Deze partijen misten zowel ideologische samenhang als effectieve organisatie en kenden dan ook tal van interne conflicten, vaak rond de persoon van de partijleider – met afsplitsingen als gevolg. Ook (betrekkelijk) nieuwe partijen die in tegenstelling tot de belangenpartijen wèl over een hechte ideologische basis beschikten, kampten af en toe echter met interne conflicten en afscheidingen, zoals D66, de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP) en de Reformatorische Politieke Federatie (RPF). Anders dan bij de hierboven genoemde belangen­partijen resulteerden deze breuken doorgaans niet in de desintegratie van de partij. Na de eeuwwisseling zijn het vooral de minder hecht georganiseerde, rond één persoon opgetrokken rechts-populistische partijen wier fracties vatbaar zijn voor afsplitsingen, zoals de Lijst Pim Fortuyn (LPF) en de PVV van Geert Wilders.

Het aantal afscheidingen groeit

Ook nadat het ontzuilingsproces grotendeels voltooid is, blijven de gevestigde partijen niet van afscheidingen verschoond. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen: veelal gaat het om persoonlijke conflicten (onder de noemer ‘onwerkbare verhoudingen’) of om meningsverschillen over de politieke koers, of een combinatie hiervan. De afsplitsing van de PvdA in november 2014 is hiervan het meest recente voorbeeld.

Wanneer nieuwe partijen hun intrede in de Tweede Kamer doen, neemt de kans op scheuringen toe, vooral waar het partijen zonder sterke ideologische binding betreft. Vrijwel geen enkele partij, hoe oud of stevig ideologisch gefundeerd ook, lijkt echter geheel immuun op dit gebied. In de periode na de Tweede Wereldoorlog deden zich 37 fractieafsplitsingen voor, waarbij in totaal 55 Kamerleden betrokken waren. Twee Kamerleden splitsten zich zelfs weer af van de na de eerste afsplitsing ontstane groep.

Dat het aantal fractieafsplitsingen en Kamerleden die daarbij betrokken zijn groeit, laat de grafiek duidelijk zien. In de jaren 2000-2009 waren er tien afsplitsingen, het dubbele van wat in de voorafgaande decennia gebruikelijk was. Eind 2014  – dus halverwege de huidige, in 2010 begonnen periode – staat de teller al op acht en het aantal betrokken Kamerleden op tien. Conclusie: niet alleen de kiezer is losser geraakt van de partij, maar ook het Kamerlid.