Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Heden en toekomst van de constitutionele monarchie in Nederland.

In de bundel 'Macht verloren, gezag versterkt. Historische en staatsrechtelijke opmerkingen over het koningschap in Nederland' publiceert Professor dr. Joop van den Berg i bij uitgeverij Elsevier al zijn artikelen en columns over het koningschap vanaf 1977. De bundel zal op donderdag 28 januari 2016 worden uitgereikt aan Eerste Kamervoorzitter mevrouw A. Broekers Knol.

Bij wijze van voorpublicatie volgt hier een deel van de rede die Joop van den Berg heeft uitgesproken tijdens een (Duitstalige) conferentie in Münster op 11 juni 2013 over de Nederlandse constitutionele monarchie, georganiseerd door het Zentrum für Niederlande Studien aldaar en die als hoofdstuk is opgenomen in de bundel ‘Macht verloren, gezag versterkt’.

Het koningschap staat, in tegenstelling tot het politieke leiderschap, voor de continuïteit van de natie, voor haar samenhang en haar innerlijke vrede. De democratie, die leeft van conflict en conflictbeslechting,  heeft in een aantal Europese democratieën, behoefte aan een pre-democratische institutie die de rites van samenhang en traditie beoefent[1]. Een nieuwe vorst zal dus altijd spreken over ongewijzigde voortzetting van de ambtsuitoefening van zijn voorganger, zoals een nieuwe politieke leider het accent zal leggen op de verandering die hem voor ogen staat. Beiden doen in de praktijk vaak het tegendeel van wat zij hebben beloofd. De politieke leider zal, ten dele noodgedwongen en ten dele uit vrije wil, veel vasthouden van wat zijn voorgangers hebben tot stand gebracht. De koning zal in zijn aanpak meer veranderen en ook moeten veranderen om het koningschap te behoeden voor ongelukken en het te doen meebewegen met de ontwikkeling van politiek en samenleving.

De contouren van een veranderend koningschap zijn al te zien, onder andere met behulp van een interview dat de nieuwe koning en zijn echtgenote, koningin Máxima, kort vóór hun ambtsaanvaarding hebben gegeven. Daaruit valt af te leiden dat Willem-Alexander het niet primair zal zoeken in politieke  ‘influence by speech’, zoals zijn moeder heeft gedaan. Hij zal zijn kracht meer zoeken waar die in zijn geval ook ligt, in het directe contact met burgers en groepen van burgers. Hij zal zeker zoeken naar een meer ontspannen en tegemoetkomende relatie met de media dan zijn moeder heeft kunnen opbrengen. Al was het maar omdat anders de naar hun aard onbeheersbare social media het van de traditionele zullen overnemen. Een goed gebruik van social media door de koning biedt hem ook een belangrijke mogelijkheid tot direct contact met zijn burgers, zonder noodzakelijke tussenkomst van journalisten. Want, als een goed vorst heeft ook Willem-Alexander een gezonde hekel aan journalisten.

Een tweede element van verandering is ongetwijfeld de te verwachten verschuiving in maatschappelijke interesse bij Willem-Alexander. Hoewel ook zijn moeder is  geïnteresseerd in sport en zelf een uitstekend ruiter is, heeft de nieuwe koning een meer uitgesproken relatie met sport en sportbeoefenaren. Dat is mede gestimuleerd door zijn lidmaatschap van het Internationaal Olympisch Comité. Ook zijn ambitie om met succes deel te nemen aan de Friese Elfstedentocht en aan de marathon van New York laat iets zien van waar zijn hart ligt. Let wel, een belangrijk deel van de Nederlandse bevolking woont niet een in de oude cultuurcentra maar in nieuwe steden en sterk verstedelijkte dorpsgemeenten. Daar wordt de sport aanzienlijk breder en hartstochtelijker beoefend dan de cultuur. Bovendien, een land dat letterlijk lijdt aan toenemende obesitas kan wel een sportieve vorst gebruiken. Het kon daarom wel eens zijn dat hij de culturele wereld gaat overlaten aan de koningin, die nu al beschermvrouwe is van het Koninklijk Concertgebouworkest.

Koning Willem-Alexander heeft in het algemeen meer authentieke belangstelling voor de ondernemingswereld dan zijn moeder. Die zag er het belang wel van, maar had er geen nauwe relatie mee. Willem-Alexander heeft die verwantschap wel. Hij ziet ook meer dan zijn moeder in de effectiviteit van economische diplomatie. In dat opzicht doet hij aan zijn grootvader, prins Bernhard denken, al mag worden aangenomen – in elk geval gehoopt - dat hij de minder gezonde elementen in deze belangstelling van zijn grootvader mist.

De(…) koning zal minder in formele instituties en meer in informele relaties denken en handelen dan zijn moeder. Dat maakt hem wellicht kwetsbaarder voor kritiek, maar daarmee volgt hij wel de ontwikkeling en verandering die de Nederlandse samenleving, niet alleen de Nederlandse, in één generatie heeft doorgemaakt. Dat zal hij ook moeten om als vorst te worden begrepen en gewaardeerd.

(…)

(…) Een drietal risico’s (bedreigen) het nieuwe koningschap. Op langere termijn ligt het grootste risico in de lotgevallen van ’s konings ‘vakbroeders’ en ‘–zusters’ elders in Europa. Als door wat voor factoren ook het koningschap elders in verval raakt of wordt beëindigd, kan dat leiden tot het fataal isolement van de Nederlandse vorst. Het is ermee als met de gouden standaard in de twintigste eeuw. Zolang voldoende staten haar handhaafden werd er in geloofd, zeker in Nederland. Toen die echter overal werd afgeschaft, ook in Frankrijk, België en Zwitserland, was het in Nederland ook snel gebeurd. Niet elk koningschap verkeert in gevaar, maar zeker in Spanje en België staat de toekomst van de constitutionele monarchie niet vast[2].

Het eerste en belangrijkste risico op korte termijn ligt  in de relatie met de politieke instellingen, de Tweede Kamer in het bijzonder. Die wordt in recente jaren beheerst door een rijkelijk populistische opvatting over de democratie, waarbij gebondenheid aan het staatsrecht voornamelijk als ballast wordt beschouwd. Zij ziet zichzelf als het centrum van de samenleving en zij ziet haar meerderheid als zonder meer beslissend. Dit alles, zonder veel oog, laat staan respect, voor het eigen recht en het tegenwicht van andere instellingen zoals de Eerste Kamer, de rechterlijke macht en… de koning. Wie dreigt in de weg te lopen, wordt het liefst opzij gezet. Om misverstand te vermijden, zulk populistisch humeur leeft niet alleen bij partijen die zo worden genoemd, zoals Wilders’ PVV en de SP, maar over een breed front in de volksvertegenwoordiging[3].

Een effect van dit klimaat was in 2012 de keuze om als Tweede Kamer zelf te beslissen over het hele proces van formatie van een nieuwe regering. De koningin moest er voortaan buiten worden gehouden, vooral omdat zij de parlementariërs in 2010, bij de vorige coalitievorming, af en toe op de juiste manieren had moeten attenderen. Dit gebeurde hoofdzakelijk bij monde van de toenmalige vicepresident van de Raad van State, haar belangrijkste adviseur.

Op zichzelf is er alles voor te zeggen: een zichzelf respecterend parlement behoort in staat te zijn om zelf een meerderheid te construeren die de regering tot stand brengt[4]. In dit geval is de Tweede Kamer daar ook in geslaagd, omdat de parlementaire machtsverhoudingen in 2012 slechts één meerderheid mogelijk maakten, die van liberalen (VVD) en sociaal-democraten (PvdA). Maar, wat zou er zijn gebeurd als de situatie ingewikkelder was geweest? Of, als de Tweede Kamer beter had opgelet en had gezien dat een meerderheid in de Tweede Kamer nog geen meerderheid in de Eerste Kamer betekende? (…) In 2010 botste de zich soeverein wanende meerderheid tegen de koningin; in 2012 ontweek die haar maar botste zij vervolgens op de Eerste Kamer. Wat moet er trouwens gebeuren als er een crisis in de coalitie zou ontstaan? Weet de Tweede Kamer dan ook hoe zij het karwei moet klaren, zonder bemiddeling door de koning?

Wat ik daarmee wil zeggen is, dat voor de eerstkomende jaren de rol van de koning als bewaker van de constitutionele orde en haar essentiële waarden – zijn belangrijkste rol in het Nederlandse staatsbestel, bij gebrek aan constitutionele rechtspraak[5] – nog wel eens heel belangrijk en lastig tegelijk zou kunnen worden. Die zal moeten worden uitgeoefend in omstandigheden waarin het besef van de Tweede Kamer van haar beperkingen niet uit voorraad leverbaar is en waar derhalve op kritiek al gauw verbeten wordt gereageerd. Het kruitvat dat Tweede Kamer heet, heeft een nogal ‘kort lontje’. Van de nieuwe koning zal, met name in de eerste jaren, derhalve veel prudentie en een koel hoofd worden gevraagd. Doorstaat hij die eerste periode en weet ook de volksvertegenwoordiging haar beweerde ‘almacht’ weer onder bedwang te krijgen, dan is er alle reden voor vertrouwen in het koningschap van Willem-Alexander.

Een tweede risico op de korte termijn is gelegen in ’s konings taak op het internationale terrein. Die brengt met zich mee dat hij, gesteund door zijn ministers, Nederland en zijn inwoners bij hun huidige neiging tot provincialisme en bijbehorende zelfingenomenheid vandaan zal moeten halen. Daar zal niet iedereen hem voortdurend dankbaar voor zijn. De koning zal zijn woorden dus zorgvuldig moeten kiezen. Daarvoor is uitgesproken Europees federalisme niet nodig en is een goed oog voor economische diplomatie zeker bevorderlijk. Helemaal zonder idealen kan het echter evenmin. Zoals Max Weber het uitdrukte in Politik als Beruf: “(I)mmer muss irgendein Glauben da sein”[6]. (…)

 

[1] Heinz Gollwitzer, Die Funktion der Monarchie in der Demokratie, in: Bürgertum, Adel und Monarchie, 147 – 157.

[2] In Spanje tobt de koninklijke familie met een ernstig geval van corruptie; in België stuit het koningschap op toenemende kritiek vanuit de Vlaamse gemeenschap.

[3] Over de populistische democratie-opvatting: Robert A. Dahl, Preface to Democratic Theory,  Chicago & London: University of Chicago Press, 1954; voorts: J.Th.J. van den Berg, De parlementaire orde is een politieke orde, in: Vertrouwen en zelfvertrouwen. Rapport parlementaire zelfreflectie 2007 – 2009, Tweede Kamer, 2008 – 2009, 31 845, 2 – 3, 130 – 140.

[4] Zie het pleidooi daarvoor in: Verbindend koningschap in de Republiek, rapport van de commissie ad hoc ‘actualisatie toekomst Koningshuis’, Amsterdam: Partij van de Arbeid 2011.

[5] Ernst Hirsch Ballin, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap, Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2012. H.D. Tjeenk Willink, Niet de beperking maar de ruimte. Beschouwingen over democratie en rechtsstaat, Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2012, 384 – 402.

[6] Max Weber, Politik als Beruf (1919), heruitgegeven in: Johannes Winckelmann (Hrg.), Max Weber, Gesammelte Politische Schriften, Tübingen: J.C.B. Mohr (Paul Siebeck), Uni Taschenbücher 1491, 1988, 505 – 560.