N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Weerbaar tegen technologisch nihilisme
“Waarheen bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen we niet voortdurend? En achterover, opzij, naar voren, alle kanten op? Bestaat er nog een boven en een beneden? Dwalen we niet als door een niets zonder einde?”
-
-Nietzsche, De krankzinnige man (vert. Paul van Tongeren)
De (ir)relevantie van Europa
De tweede helft van de twintiger jaren is ingeluid met een klaroenstoot die nog geruime tijd zal nadreunen. Terwijl de tektonische verschuivingen van de Atlantische platen onder onze voeten plaatsvinden, zoekt Europa naarstig naar een ijkpunt waartoe het zich kan verhouden. De oude wereldorde is voorbij, maar wat volgt? Er heerst een collectief besef van groot verlies en tegelijkertijd een onmacht om de nieuwe leegte adequaat te duiden.
Door alle onzekerheid heen zie ik desondanks een nieuwe strijdlust opkomen. In de strijd om Europese relevantie is inmiddels algemeen het besef ingedaald dat onze afhankelijkheid van de Verenigde Staten niet langer houdbaar, wenselijk of verdedigbaar is. Dit geldt, naast onze defensiecapaciteiten, in het bijzonder voor ons digitaal fundament. Er moeten grote stappen gezet worden om onze digitale economie, digitale weerbaarheid en digitale soevereiniteit te versterken. De rapporten van Mario Draghi en Peter Wennink bevatten dan ook een vurig pleidooi voor het met urgentie opbouwen van Europese concurrentiekracht in het domein van disruptieve technologieën zoals AI en quantumtechnologie. Daarnaast leeft steeds breder de overtuiging dat onze publieke instellingen en kritieke sectoren minder afhankelijk zouden moeten zijn van Amerikaanse hyperscale-cloudaanbieders.
De fuik van tech-gigantisme
Het met urgentie streven naar een technologische inhaalslag is mijns inziens terecht en belangrijk, maar onvoldoende. De Europese perspectieven op het vlak van technologie zijn veelal reactief en restrictief ten opzichte van ontwikkelingen uit de VS. Onze grote valkuil is rücksichtslos in de mondiale ratrace te willen stappen met de spelregels van de VS (en in mindere mate China), om als Europa maar competitief te kunnen zijn. Dat wil zeggen: door neoliberaal beleid en gebrek aan regulering een speelveld creëren waarin een handjevol Big Tech-bedrijven, met een gezamenlijke marktwaarde van enkele biljoenen dollars, effectief de gehele markt domineren en alle concurrentie kunnen uitschakelen.
Zulk tech-gigantisme maakt een wereldmacht weliswaar mondiaal concurrerend, maar is helemaal niet gunstig voor de meerderheid van de bevolking.i De multinationale opzet van techreuzen maakt dat ze hun wettelijke en morele verantwoordelijkheden op het gebied van belastingen, werknemersrechten en milieu- en duurzaamheidseisen kunnen omzeilen. Ze weten daarnaast via grootschalige lobby democratische besluitvorming te beïnvloeden en trachten iedere regulering tandeloos te maken. Grote online platforms hebben het perverse verdienmodel om engagement te maximaliseren, oftewel alle aandacht van ons en onze kinderen op te eisen, en daarbij al onze data te hamsteren voor advertentie-inkomsten. Dat (minderjarige) gebruikers door de continue prikkels verslaafd raken aan hun apps, is voor Big Tech simpelweg de meest rendabele uitkomst.
Dit alles is technologisch nihilisme: technologische trends die de gemeenschap meer schade toebrengen dan dat ze haar betekenis of welvaart opleveren. De democratie staat buitenspel. Burgers worden een product. De leefbaarheid van onze aarde moet wijken. Wie uiteindelijk profiteren, dat zijn vooral de aandeelhouders van Big Tech.
Een Rijnlands technologisch verhaal
Ik ben daarom van mening dat dit Angelsaksische model niet nastrevenswaardig is. De ontregelde wereldorde biedt ons juist een bijzondere kans om daarmee te breken. Om digitaal weerbaar, soeverein en innovatief te worden, moet Europa een technologische industriepolitiek bedrijven die zich niet alleen afzet tegen het technologisch nihilisme van Big Tech, maar die bovenal gefundeerd is in een gedeeld verhaal van krachtige Europese waarden. Dit kan mijns inziens voortbouwen op het Rijnlands denken, de naoorlogse sociaal-economische ordening met wortels in christen- en sociaaldemocratische stromingen. De uitgangspunten van dit Europese verhaal moeten zowel in de economie, als in sociaal-maatschappelijke context, als in de technologie-architecturen hun doorwerking hebben.
Het Rijnlands model bepleit dat bedrijven, net als mensen, geworteld moeten zijn in de gemeenschap en regio waarin zij zich bevinden, en van daaruit waarde en betekenis dienen toe te voegen aan hun omgeving. Dit vereist dat in het ordenen van onze digitale leefomgeving ruimte bestaat voor mkb’s, voor missiegedreven organisaties zoals maatschappelijke BV’s en rentmeestervennootschappen (steward-ownership), voor de academie en voor het maatschappelijk middenveld. Deze verschillende krachten kunnen terugduwen tegen het technologisch nihilisme. Die ruimte moet actief bewaakt, gestimuleerd en gekoesterd worden. Subsidiariteit en decentralisatie zijn eveneens kernbegrippen binnen het Rijnlands denken. Het opbreken van tech-hegemonieën door binnen de publieke sector divers aan te besteden en door actief in te zetten op kennisdeling, open standaarden en open source, zal maken dat het Europese tech-ecosysteem meer geworteld en daarmee weerbaarder zal zijn.
Ook is het van belang dat er geen deregulering van technologie plaatsvindt, maar dat onze Europese normen juist voor iedereen strenger en eerlijker gehandhaafd worden.ii Grote multinationals zijn in staat hun toeleveringsketens naar de voor hen meest voordelige gebieden te verplaatsen, met veelal de uitbuiting van mensen en de aarde tot gevolg. Digitale technologie is daarbij vaak het doel en/of het middel. Denk hierbij aan hoe zeldzame metalen worden gedolven in de Hoorn van Afrika, hoe AI-datacenters grondgebieden droogleggen en voor stroomtekorten zorgen, en hoe lageloonarbeiders in distributiecentra onder algoritmische aansturing webshoppakketten moeten sorteren. Wil Europa hier tegenwicht tegen bieden, dan moeten we actief toezien op een rechtvaardige totstandkoming van de technologie die in ons continent gebruikt wordt.
Voorbij technologisch nihilisme
Technologisch nihilisme is geen noodlottigheid. We kunnen als Europa een eigen verhaal hebben over eerlijke en betekenisvolle technologie, gefundeerd in het Rijnlands denken. Het uitdragen van dit verhaal vereist niet alleen politieke wil, maar ook een verantwoordelijkheidsbesef in de samenleving zoals dat past bij democratisch burgerschap. Op zijn minst zouden wij ons bewust moeten zijn van welke technologie we gebruiken en van de effecten daarvan op onszelf, op onze directe omgeving en op de aarde. Dragen de producten die we gebruiken bij aan de Europese digitale soevereiniteit? Zijn ze eerlijk en betekenisvol? Hoe gaan we prudent en gematigd om met digitale media, zodat we niet constant overprikkeld en afgeleid zijn? Ik hoop dat alle geopolitieke schokken ons Europeanen tenminste daartoe bewegen: een levendig debat over technologie, waarin we onszelf niet langer als weerloze toeschouwer zien. Ons digitaal fundament is namelijk te belangrijk om onverschillig over te zijn.
Jesse Six Dijkstra was van 2023 t/m 2025 Tweede Kamerlid namens NSC. Hij heeft een achtergrond in de kunstmatige intelligentie, cybersecurity en nationale veiligheid. Momenteel is hij aangesloten bij de Digitale Doetank als zelfstandig adviseur voor digitale autonomie en de strategische inzet van technologie.