Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Spreektekst minister Plasterk

 Ronald Plasterk vergrootglas

Spreekschetsen voor de opening door minister Plasterk van het Montesquieu Instituut op 9 mei 2007 in Den Haag.

Alleen het gesproken woord geldt



Als de wetgevende macht verenigd is met de uitvoerende macht in een persoon of in een bestuurlijk lichaam, dan is er geen vrijheid, omdat men moet vrezen dat dezelfde monarch of senaat die tirannieke wetten uitvaardigt ze ook tiranniek zal uitvoeren. Ook is er geen vrijheid als de rechterlijke macht niet gescheiden is van de wetgevende en uitvoerende macht. Als het samengaat met wetgevende macht dan wordt de macht over leven en vrijheid van de burgers arbitrair, want de rechter zou wetgever zijn. Als het samengaat met de uitvoerende macht, dan kan de rechter de macht verwerven van een tiran. Alles zou verloren zijn als een en dezelfde man of een lichaam van belangrijke mannen, zij het van de adel of uit het volk, deze drie machten zou uitoefenen.

Met dit citaat, u heeft het uiteraard herkend, beschrijft Montesquieu de trias politica, de evenwichtige spreiding van uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht over de organen van de staat. Hiermee legde hij de grondslag voor de staatsrechtelijke principes waarop onze moderne democratieën nog altijd zijn gevestigd.

Het is daarom een goede zaak dat de naam van het instituut dat wij vandaag officieel openen, is verbonden met die van Montesquieu. En hoewel ik het als minister van Emancipatie niet kan nalaten om op te merken dat Montesquieu wel erg weinig aandacht had voor het vrouwelijke deel van de bevolking, ben ik er trots op vandaag het Montesquieu Instituut te mogen openen. Ik wil u complimenteren voor dit initiatief en mijn felicitaties overbrengen. Ik wil tevens van deze gelegenheid gebruik maken om meer in het algemeen iets te zeggen over de geesteswetenschappen maar daarover straks meer.

Europa is volop in beweging. Aan het begin van dit jaar traden nog eens twee landen toe tot de Europese Unie en daarmee telt de Unie inmiddels 27 lidstaten. De uitbreiding van de Unie biedt ons kansen voor samenwerking: economisch, maar ook en vooral wetenschappelijk, technologisch en sociaal. Om die kansen optimaal te kunnen benutten is draagvlak nodig en dat komt er niet vanzelf, dat moeten we verdienen.

Kennis en inzicht kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het bouwen van dit draagvlaken het Montesquieu Instituut gaat ons daarbij helpen. Door systematisch informatie te verzamelen over de parlementaire geschiedenis van de Europese lidstaten. Door de parlementaire culturen van de verschillende landen met elkaar te vergelijken. Door informatie uit te wisselen over de parlementaire democratie en het functioneren van politieke partijen.

Het is geen gemakkelijke opgave waar u voor staat. In de wetenschap is er nog weinig systematische aandacht voor vergelijkend onderzoek naar de parlementaire stelsels in Europa. Er vindt nog maar weinig onderzoek plaats naar de organen van de Europese Unie. We weten te weinig over de vraag hoe Europese besluitvorming wordt ingepast in de nationale parlementaire stelsels. En het ontbreekt ons ook aan een eigenstandige beschrijving van de Europese parlementaire geschiedenis.

Nederland staat daar overigens niet alleen in. Van de Europese lidstaten heeft slechts een kwart een centrum voor parlementaire geschiedenis. Bij dat kwart hoort Nederland. En Nederland zou Nederland niet zijn, als we er niet één zouden hebben maar drie: het Centrum voor Parlementaire geschiedenis in Nijmegen, het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen en het Parlementair Documentatie Centrum in Den Haag. Deze drie partijen hebben in 2005 de handen in elkaar geslagen en een convenant afgesloten om intensiever te gaan samenwerken. Inmiddels hebben zich daarbij de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden en de Universiteit Maastricht gevoegd en werd de tijd rijp voor de volgende stap: de oprichting van het Montesquieu Instituut.

In alle bescheidenheid vind ik het voor de hand liggen dat ons land een leidende rol zou gaan spelen in de geschiedschrijving van het Europese parlement en in de vergelijkende beschrijving van de parlementen van de EU-landen. Het vakgebied van de parlementaire geschiedenis staat in Nederland goed aangeschreven. De producten van bijvoorbeeld het Centrum voor Parlementaire geschiedenis vinden gretig aftrek, niet in de laatste plaats onder politici en beleidsmakers.

Niet alleen de parlementaire geschiedenis, maar ook de geschiedschrijving in het algemeen en breder - de geesteswetenschappen staan in ons land op een hoog peil.

Daarmee ben ik gekomen aan het tweede deel van mijn betoog. Ons land heeft een traditie op te houden in de geesteswetenschappen. Ik noem u een paar voorbeelden die u zeker zullen aanspreken. Dat begint al heel vroeg, met de filosofen Spinoza en Erasmus. De eerste vinden wij in Nederland zo belangrijk dat wij zijn naam hebben verbonden met de hoogste wetenschappelijke prijs, de Spinozapremie. Naar de tweede, Erasmus, hebben wij een universiteit vernoemd en ook heten de EU-beurzen voor studenten die in het buitenland willen studeren zo. En wat dacht u van de Nederlandse historici en dan met name het echtpaar Romein-Verschoor.

Meer van deze tijd is de vooraanstaande positie die ons land inneemt op het gebied van taal- en spraaktechnologie. Daarmee zijn we in staat om zogenaamde talige zoekmachines te ontwikkelen, waarmee je een vraag kunt intypen en vervolgens op relevante antwoorden kunt zoeken. Of bijvoorbeeld een sprekende computer kunnen ontwikkelen voor openbaar vervoersinformatie.

Ook neemt ons land binnen Europa een bijzondere positie in wanneer het gaat om niet-westerse talen.

En laten we de canon van de vaderlandse geschiedenis niet vergeten. De canon heeft veel discussie losgemaakt, maar één ding is zeker: de canon zou er niet zijn gekomen als wij in ons land niet over goede onderzoekers zouden kunnen beschikken die het overzicht hebben. Mensen zoals de President van de Akademie, Frits van Oostrom.

Het belang van het de geesteswetenschappen is dus groot. Tegelijk constateer ik dat het de geesteswetenschappen in het beleid onvoldoende aandacht hebben gekregen.

De geesteswetenschappen trekken niet altijd even veel studenten. Het verschilt per vakgebied, maar belangrijker nog, het verschilt ook van jaar tot jaar. Er is misschien geen ander terrein waarbinnen de studentenaantallen zo fluctueren als in de geesteswetenschappen. Dat maakt ze kwetsbaar, zeker binnen een systeem van financiering en bekostiging dat zo zeer is opgehangen aan studentenaantallen. Binnen het onderzoek betekent dit dat er een serieuze dreiging bestaat dat expertise wegvalt, zeker tegen de achtergrond van de naderende vergrijzingsgolf.

Een ander probleem waar de geesteswetenschappen mee kampen is dat zij niet kunnen bogen op veel economische valorisatie. Misschien wel daardoor trekken ze relatief weinig derde geldstroomonderzoek aan in vergelijking met bèta- en gamma-onderzoek.

Ik vind overigens dat de geesteswetenschappers ook best de hand wat meer in eigen boezem mogen steken. Er wordt nog te veel op eilandjes gewerkt, en ik zie ook nog niet veel beweging om tot grotere landelijke verbanden te komen.

En dat is toch echt nodig. Want wat in het algemeen voor wetenschappelijk onderzoek geldt, geldt natuurlijk ook voor de geesteswetenschappen. Namelijk dat het beste onderzoek de meeste middelen moet krijgen. En dat promovendi de best mogelijke begeleiding moeten krijgen. Zij mogen niet afhankelijk zijn van de kwaliteit van de toevallig aanwezige promotor.

Daarom wil ik wat aan de financiering van het onderzoek gaan doen. Uitgangspunt daarbij is dat de beste onderzoekers de meeste armslag krijgen. Maar ik wil niet alleen kijken naar de bekostiging. Ook de organisatie van de geesteswetenschappen moet beter. Er moeten meer persoonsgerichte steunvormen komen zoals de veni-vidi-vici. Er moeten meer onderzoekscholen komen waarin aio's de best mogelijke begeleiding krijgen. Aio's moeten - idealiter daarbinnen - zelf de plek kunnen uitzoeken waar zij willen promoveren.

En ik zou ook graag willen dat geesteswetenschappers een grotere bijdrage zouden leveren aan elkaars opleidingen. Dat mag wat mij betreft al in de bachelor-fase beginnen. Want wat is er nu inspirerender voor een eerstejaars student in Groningen dan om een paar colleges te mogen volgen bij Frits van Oostrom?

Ik wil serieus werk gaan maken van een betere organisatie én positie van de geesteswetenschappen. Men heeft mij als bèta-wetenschapper nogal eens verweten dat ik een bèta-bias zou hebben. Niets is minder waar. Ik wil minister zijn van àlle wetenschappen. Maar dan wel van excellente wetenschappen. Daar moeten we aan werken, ook in de geesteswetenschappen. We hebben immers een traditie hoog te houden.

Ik wil daarom vandaag aankondigen dat ik een commissie in zal stellen die een nationaal plan voor de geesteswetenschappen gaat ontwikkelen. En om te laten zien dat het mij serieus is: het gaat om een commissie met een zware samenstelling. En, ik zeg het nu maar alvast, als er goede plannen liggen ben ik bereid om er ook extra geld in te steken.

Tot zover wat betreft de geesteswetenschappen. Ik wil tot slot nog een paar woorden zeggen over het Montesquieu Instituut. Met de vorming van dit instituut gaat de wens van de Nederlandse wetenschappelijke wereld in vervulling om aan het onderzoek van de Europese parlementaire geschiedenis een forse impuls te geven. Ik wil u in dit verband overigens nog een compliment maken. In zeer korte tijd heeft u, met een aantal organisaties samen, en ook in Europees kader, de opzet en de financiering van het Montesquieu Instituut rond gekregen. U bent een voorbeeld van hoe het in de geesteswetenschappen zou moeten.

Het Montesquieu Instituut wordt een multifunctioneel centrum. Het wil in de eerste plaats stimuleren om verdiepend en vergelijkend onderzoek te doen naar de verschillende parlementaire stelsels, hun actoren in Europa en de manier waarop zij de Europese besluitvorming in de eigen nationale stelsels inpassen. Ook biedt het centrum gastvrijheid aan een leerstoel Nederlandse en vergelijkende parlementaire geschiedenis. En verder wil het centrum de kennis over de werking en de geschiedenis van volksvertegenwoordigingen op peil brengen en houden door het inrichten van permanente leertrajecten: voor politici, journalisten, beleidsmedewerkers, studenten.

Ik wens u daarbij veel succes en verklaar het Montesquieu Instituut hierbij voor geopend.