Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De Val van de Muur heeft de democratie versterkt

Wat heeft de Val van de Muur met democratie te maken? Alles. De Val van de Muur was een spontane revolutie, die de val van alle Oostblokregimes inluidde. Hannah Arendt had al in de jaren vijftig haar hoop op zulke ‘spontane revoluties’ gevestigd: tijdens de Hongaarse opstand van 1956 werden de waarheden van het Hongaarse totalitaire regime doorgeprikt. De enige mogelijkheid om de van bovenaf opgelegde waarheden te weerleggen was een massaal protest van onderaf. Het geschiedde in 1989.

Het verschil met voorgaande spontane revoluties, zoals de volksopstand in de DDR en de Praagse lente, was dat deze opstand niet gewelddadig werd onderdrukt, waardoor de waarheid kon zegevieren. Tijdens de aanloop naar de Val nam de bevolking van Leipzig op vreedzame wijze het heft in eigen hand. Hun impliciete boodschap was simpel: jullie waarheid is de onze niet. Concreet: “Wir sind das Volk.” Een grotere overwinning van de democratie is nauwelijks denkbaar. In vrijwel alle voormalige Oostbloklanden werd de wil van het volk gerespecteerd. Er kwamen democratische instellingen, zoals een constitutie, onafhankelijke rechtspraak en vrije pers, die de jonge, kwetsbare democratieën in goede banen leidden. Het perspectief van aansluiting bij de Europese Unie waarborgde de richting: een andere keus was er niet.

Maar de Val van de Muur legde tevens een aantal zwaktes van de democratie bloot. De nieuwe samenlevingsvorm liep voor menigeen uit op een bittere teleurstelling. In de privésfeer veranderde niet alles ten goede. De overgang van de dirigistische planeconomie naar een markteconomie ging niet zonder slag of stoot. De ontmanteling van de verouderde industrie en de drastische reorganisaties van de bureaucratische overheden leidden tot hoge werkloosheid. De bevolking van Oost-Europa maakte kennis met de andere kant van het kapitalisme: hoge huren, grote inkomensverschillen, dure verzekeringen. Menigeen ontwikkelde een verlangen naar de periode waarin de vrijheden sterk ingeperkt waren, maar de zekerheden groter.

Dat de Val van de Muur ook grote gevolgen had voor de West-Europese democratieën bleek pas later. Deze democratieën lijken op het eerste gezicht kwetsbaarder geworden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de houding van veel burgers tegenover Europa. Waren Nederlanders in de jaren negentig veelal nog heel kritisch over onze oosterburen, nu is de Europese Unie vaak de kwaaie peer. De oorzaak hiervan ligt in de grote geopolitieke veranderingen in ons werelddeel. In 1989 bestond de Europese Gemeenschap nog uit twaalf lidstaten; de EU heeft er nu zevenentwintig. Voor kleine landen als Nederland kwam Brussel verder af te staan van de mensen. Daar komt bij dat het machtscentrum in de EU naar het oosten verschoof, met Duitsland centraal in het midden. Mede hierdoor hadden West-Europese lidstaten als Frankrijk, Nederland en Ierland grote moeite om hun bevolkingen te overtuigen van het nut van een nieuwe grondwet voor Europa.

Maar de kwetsbaarheid van de democratieën zou ook blijken uit de positie van volkspartijen, zoals de PvdA en de VVD, die niet meer een vanzelfsprekend kiezerspotentieel hebben. De vraag is hoe dat komt. Dat heeft alles te maken met de emancipatie van de burger. Het protest van de jaren zestig, de Val van de Muur en de opkomst van Fortuyn lijken op het eerste gezicht weinig met elkaar van doen te hebben. Maar wie even doordenkt ziet dat er een belangrijke parallel is: steeds weer gaat het om het protest van burgers die het niet langer pikken. Jullie waarheid is de onze niet. Sinds de jaren zestig is de verhouding tussen de geëmancipeerde burger en de politiek sterk veranderd. De overheid moet steeds meer inspanningen verrichten om burgers te overtuigen van nieuw beleid. De politiek is hierdoor steeds verder onder druk komen te staan. Politici moeten op zoek naar een nieuw elan.

Juist dat is niet gemakkelijk gebleken. Vóór de val van de Muur hadden de westerse democratieën altijd een nog een spiegel, die ze zichzelf konden voorhouden: het reëel existerende socialisme. In de bipolaire wereld leken de verhoudingen veel eenvoudiger dan nu. Het kapitalisme en het communisme beconcurreerden elkaar op vele terreinen. Critici van beiden konden geloven in een derde weg. Ook de samenlevingen zelf waren sterker verdeeld in extremen: de massale stadsoorlogen die tijdens krakersrellen in Amsterdam aan het begin van de jaren tachtig plaatshadden, zijn nu onvoorstelbaar. De protesten van de lange jaren zeventig (1966-1984) waren een laatste oprisping van een universeel idealisme, dat de samenleving als geheel wilde omvormen. Maar eerder al, in 1960, had Daniel Bell in zijn ‘Einde van de ideologieën’ voorspeld dat het tijdperk van de oude universele ideologieën voorbij was. Daarvoor in de plaats kwamen nieuwe parochiale ideologieën, gedreven door economische ontwikkeling en nationale macht. Bell bleek een voorspellende blik te hebben. De jaren negentig brachten een nieuw gefragmenteerd parochiaal idealisme, dat mede door pressiegroepen als Greenpeace en Amnesty International werd geactiveerd.

Door de sterk gewijzigde rol van ideologieën is ook de positie van intellectuelen in de samenleving veranderd. Vóór de Val van de Muur genoten zij een groot prestige, zoals ook de dissidenten uit de Oostbloklanden een groot prestige genoten. Veel intellectuelen, vooral de Franse, ontleedden de factor macht in de kapitalistische samenleving en kwamen tot de conclusie dat deze samenlevingen zich zo snel mogelijk moesten ontdoen van de structuren, die in stand werden gehouden om de belangen van de haves veilig te stellen. Hun ideologiekritiek werd alom gehoord. Na de Val van de Muur werden juist deze intellectuelen bevraagd over hun democratische gezindheid. Bovendien bleken intellectuelen in zijn algemeenheid niet de voorspellende gave te hebben die ze zichzelf wel toedichtten. Niemand had de Val voorspeld, noch de stormachtige ontwikkelingen die erop volgden.

Zoals Daniel Bell voorspelde maakte ideologiekritiek plaats voor pasklare technocratische oplossingen. Economen namen het voortouw. Het neoliberalisme draaide de redenering de kritische intellectuelen om. Als de welvaart toeneemt, kunnen ook de have-nots profiteren van de winsten. Het aandeelhouderskapitalisme genereert welvaart voor iedereen! De belangrijkste vertegenwoordigers van deze ideologie, de nobelprijswinnaars Friedrich von Hayek en Milton Friedman, beweerden dat samenlevingen met een hoog niveau van politieke vrijheid ook een hoog niveau van economische vrijheid behoeven. Deze zeepbel werd pas doorgeprikt door de kredietcrisis.

Waar heeft dit alles ons gebracht? Tot een veel reëler beeld van waar we nu staan. Zelfredzaamheid is een belangrijke gave voor onze hedendaagse democratie. Wij zullen het zelf moeten doen, zónder de hoogdravende bespiegelingen van intellectuelen die de band met de realiteit hebben doorgesneden, mét de mokkende burgers, die vrezen voor hun eigen hachie. We zijn dus beter af. Mogelijk komt er een nieuw tijdperk van nieuwe ideologieën: maar dan wel ideologieën die rekening houden met het menselijk tekort.