Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Jan Vis

Een half jaar was ik lid van de Eerste Kamer, toen ik een keer samen met Jan Vis vanuit de koffiekamer de vergaderzaal betrad. Jan hoorde een rijkelijk zelfingenomen collega praten, sloop grijnzend naar de interruptiemicrofoon en begon hem allerlei zuigende vragen te stellen. Die haalden de brave man volledig uit zijn concentratie. Hilariteit in de zaal. Ik bleef echter achter in totale verbijstering. Hoe kon iemand die het betoog niet had gevolgd zo effectief het wapen van de interruptie hanteren? Ik durfde in die tijd niet eens mijn bankje uit te komen, ook al wist ik zeker wat ik moest zeggen. Ik vertelde Jan van mijn verbazing en hij antwoordde: ‘Ach, Joop, ik heb meer dan een jaar nodig gehad, voordat ik voor het eerst naar de interruptiemicrofoon durfde.’

Dit verhaaltje tekent in zeker opzicht onze verhouding: die van goede vrienden, waarin de een de oudere, wijzere en meer ervaren broer is. Dat was niet alleen in de Eerste Kamer zo, waar Jan Vis al meer dan tien jaar lid van was toen ik, in 1992, werd beëdigd. Nog herinner ik mij dat ik, als jong redacteur van het Limburgs Dagblad in 1968 voor het eerst een bericht moest bewerken van ‘onze parlementaire redacteur, J.J. Vis’. Ik was net in het vak begonnen, hij werkte er al vijftien jaar.

Ik was maar met één ding voor: ik was eerder afgestudeerd. Jan Vis is pas gaan studeren toen hij al hoog en breed politiek journalist was, samen met zijn Parool-collega Jaak Mulder. Dat moest naast het intensieve werk als journalist en dat vergde dus ijzeren discipline.

De eerste periode van intensief contact met Jan Vis is geweest, toen wij beiden afwisselend optraden als columnist bij NRC Handelsblad. Jan was in 1972 van de journalistiek overgegaan naar de universiteit, als lector (later hoogleraar) staatsrecht in Groningen. Hij wilde wel een column leveren maar niet elke week. Ik mocht het gat vullen dat hij achterliet, zelf intussen van journalistiek naar universiteit vertrokken.

Wij bespraken elkaars columns nooit als zodanig: daarvoor was hij, nog meer dan ik, als auteur te veel een solist. Wel bespraken wij periodiek ’s avonds aan de telefoon het leven, het vaderland en de wereld. Als een huisgenoot de telefoon nodig had, moest hij wachten tot de volgende dag; zo’n gesprek had immers tijd nodig. Vrolijke conversaties waren dat, ook omdat wij het over veel eens waren. Het enige waarin wij verschilden was onze partijkeuze: Jan was een loyaal maar kritisch lid van D66; ik probeerde hetzelfde te zijn in de PvdA.

Omroep Teleac heeft ons zo ver gekregen dat wij niet alleen naast elkaar maar ook samen met elkaar hebben gewerkt, aan het cursusboek ‘Parlement en politiek’ dat in 1977 behoorde bij een televisiecursus. In oplage was dat boek, ook na de televisieserie, nogal een succes. Toen ik daar iets te hoog van opgaf, leverde Jan de kenmerkende reactie: ‘Nou ja, het is maar de halve kiesdeler aan wie het boek is verkocht.’ In de jaren negentig hebben wij er nog eens een nieuwe versie van gemaakt.

Als de toenmalige gewestsecretaris van de PvdA, ene Job Cohen, zijn zin had gekregen, waren Jan Vis en ik vrijwel gelijktijdig lid geworden van de Eerste Kamer, rond 1981. Cohen kreeg zijn zin niet; ik wilde eerst zijn gepromoveerd. Het zou nog twaalf jaar duren voordat Jan en ik samen in de Kamerbanken zouden zitten. Die gezamenlijke periode duurde voor mij te kort: in 1994 verhuisde Jan Vis, tot zijn vreugde, naar de Raad van State. Vreugde onder meer, omdat hij daar mocht blijven werken tot zijn zeventigste. In die Raad is hij van ongemene betekenis geweest, doordat hij enerzijds een goed jurist was, maar anderzijds ook veel van de wereld had gezien en dus in staat al te hoog vliegende collega’s  terug op aarde te halen, zoals hij dat ook in de Eerste Kamer zo goed had gekund.

In 1982, na de crisis in het tweede kabinet-Van Agt, werd hem gevraagd minister te worden. Hij weigerde, want in de etalage van de politiek voelde hij zich niet thuis. In zijn plaats trad Max Rood aan, die zich daar juist in zijn element voelde. Wel een mooi avontuur was het informateurschap in 1994, toen hij samen met Klaas de Vries en Gijs van Aardenne mocht werken aan de eerste ‘paarse’ coalitie.

Een tweede periode van samenwerking was aangebroken toen Jan Vis en ik vanaf 2005 samen gingen schrijven aan een overzicht van de Nederlandse parlementaire geschiedenis van 1795 tot heden. Hij was mij ruim voor met zijn deel van het werk en bezig met zijn laatste etappe (de tijd tussen 1945 en 1967) toen hij, die het eeuwige leven leek te hebben, plotseling overleed. Ik verloor een mede-auteur, maar tegelijk veel meer dan dat: een toonbeeld van wijsheid, scherpzinnige analyse, vermogen tot relativeren, maar ook van visie op het politieke ambt. Maar vooral, een man om lief te hebben.