Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

"Een voor den lande nuttig staatscollegie"

Bert van den Braak

De vooral door Thorbecke vormgegeven Grondwetsherziening van 1848 bracht grote veranderingen teweeg in ons staatsbestel. Die veranderingen hadden echter groter kunnen zijn als conservatieve politieke krachten in 1848 niet nog de overhand hadden gehad. Zij verhinderden bijvoorbeeld dat de Eerste Kamer voortaan rechtstreeks zou worden gekozen.

Ook de Raad van State wist, ondanks grote bezwaren tegen dit orgaan, in 1848 te 'overleven'. Diverse (liberale) afgevaardigden (Anemaet, Van Dam van Isselt, Romme, Storm van 's-Gravesande) vonden de Raad te duur en overbodig. De Raad van State was tot dan adviseur van de Koning en de regering wilde daaraan vasthouden. Wel moest de Raad na de Grondwetsherziening (mede) gaan functioneren als adviseur van de (verantwoordelijke) ministers. Aangevoerd werd verder dat de Raad van State bij het ontbreken van een troonopvolger het koninklijk gezag moest waarnemen.

Minister Lightenvelt (minister van RK-Eredienst! en oud-lid van de Raad van State) verdedigde namens het kabinet met succes het voortbestaan van de Raad van State. Omdat de Tweede Kamer het recht van amendement nog miste, werd evenmin de zinsnede 'er is een Raad van State' gewijzigd in: 'er kan een Raad van State zijn'. En het kabinet voelde er niets voor om zelf met die wijziging te komen.

1.

Kamerdebatten augustus 1848

De heer Anemaet: "Veel is door de Regering bij de laatste wijziging verbeterd in het tweede hoofdstuk der Grondwet, maar toch ware het mij hoogst welgevallig geweest dat men den Raad van State had doen wegvallen, aan welken het ministerie zelf eene zoo geringe en zoo betrekkelijke waarde schijnt te hechten en die toch eene ton gouds in jaarlijksche belasting van de natie vraagt, zonder tegen die geldswaarde haar nut te kunnen doen opwegen, te meer bij den bestaanden twijfel, of die instelling ten onzent wel voegt naast een verantwoordelijk ministerie en eene ontbindbare Kamer.

Ja, na al wat door de Regering is aangevoerd gewor­den, geloof ik dat de wegvalling bezuinigen zou, zonder te schaden. Het is toch duister welke werkzaamheden die raad zal verrigten en om alleen voor het geval te bestaan dat de kroon zonder ministers mogt zijn, dit is, dunkt mij, dat zeldzame geval te duur doen betalen door de natie, te meer, daar gewoonlijk de aftredende ministers aan het bestuur blijven tot zoo­lang er een nieuw ministerie optreedt en de Koning naar goed­vinden tot zich kan roepen diegenen, met wie Hoogstdezelve daarover zou willen raadplegen, en daar dit gebeuren kan ook dan als een Raad van State bestaat, zoo kan deze instelling schier overtollig genoemd worden."

De heer Van Dam van Isselt: "Ik moet bekennen, dat ik den Raad van State gaarne afgeschaft had gezien. Vinden echter de mannen die den Koning omringen, en die met hem over dit onderwerp in overleg zullen zijn getreden, die instelling zoo nuttig, dat zij behouden moet worden, dan zie ik er geen bezwaar in om ook dat offer mijner overtuiging te brengen, hoewel ik de vrees blijf koesteren, dat dit ligchaam, zoo als nu de werkkring daarvan in art. 51 van het tweede ontwerp is bepaald, belemmerend voor de ministers werken zal."

De heer Romme: "Eveneens zoude ik bij zoodanige stemming over het voortdurend bestaan van den Raad van State denken; zoodanig collegie kan, mijns erachtens, bij het voorgedragene stelsel worden gemist, als een consultatief collegie (waarvoor die raad thans bestemd schijnt), zelfs belemmerend zijn en het goede in den weg staan.

De heer Storm van 's-Gravesande: "Ik beaam volkomen hetgeen reeds meermalen in deze verga­dering is gezegd, dat een zuiniger en eenvoudiger regeringstelsel eene eerste behoefte voor onzen Staat is; dat zonder bezuiniging de grondwetsherziening nog weinig heil zal aanbrengen. Doch ik vreeze inderdaad dat aan dat noodwendig vereischte zeer wei­nig zal voldaan worden. Ik heb het daarom met des te meer leedwezen gezien dat de Regering den Raad van State onmisbaar blijft achten.

Zijne Excellentie de tijdelijke Minister voor de zaken der Roomsch-Katholijke Eeredienst: "(...) indien men het nader algemeen verslag en de discussie van heden raadpleegt en vergelijkt, dan bepaalt zich de tegenspraak van een deel dezer Vergadering tot het vraagpunt: of de Raad van Stale al of niet verdient behouden te worden? Sommigen willen dat hooge collegie als nutteloos of overbodig aangemerkt hebben, anderen zouden het alleen uit zucht tot bezuiniging uit onze staatsinrigting wenschen te zien verbannen.

De Regering (...) kan niet inzien, waarom men niet met eene eenvoudige en zuinige inrig­ting, tevens de instelling zoude kunnen behouden. Men kan immers inrigtingen van allerlei aard vereenvoudigen, zonder die af te schaffen. Kan men bijv. geen geregtshof, geene militaire of burgerlijke instelling vereenvoudigen, zonder het nuttige daarvan prijs te geven? En waarom zoude dit het geval niet kunnen zijn met den Raad van State? Hierin te voorzien, dat doel te bereiken, zal de taak eener toekomende wet zijn; want art. 50 van dit ontwerp zegt: Er is een Raad van State, welks zamenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet."

(...) Door het inwinnen van raad bij eene vereeniging van mannen van kennis en ondervinding, zal de minister zich meer tegen dwaling, vergissing of misslagen behoed zien, en dat behoedmiddel kan wel niet anders dan ten nutte van den Staat aange­wend worden, daar toch het land bij dwalingen der ministers altijd de lijdende partij is.

Ik heb de schadelijke werking van den Raad van State hooren beweren, omdat dit collegie zoude geplaatst zijn tusschen den Koning en een verantwoordelijk ministerie, edoch deze voor­stelling is geheel onnaauwkeurig. De Raad staat niet tusschen den Koning en het ministerie; hij staat evenzeer naast het ministerie als naast den Koning. Want het advies van den Raad aan den Koning wordt immers aan het ministerie voorgelegd, hetwelk zich dat advies ten nutte maken kan. (...)

Bij het verwisselen van ministers, of het aftreden van een ge­heel ministerie, kan en zal juist die Raad van het hoogste nut zijn, zoowel voor den Koning als voor de nieuwe Ministers; want waar toch is de man, waar is de bekwaamste zelfs uit uw midden, Edel Mogende Heeren, die, voor het eerst als minister optredende, zoo volledig bekend zal zijn met het geheele rader­werk van het administratief staatsbestuur, dat hij zich tegen elke misvatting veilig zal achten?

Ik aarzel niet (...) te zeggen: men veroordeelt den Raad van State, omdat men hem niet kent; men kent hem niet, omdat hij niet naar buiten werkt. Ik heb mijne dagen niet in ledigheid doorgebragt, maar zoo­veel heb ik ten slotte geleerd, dat de administrative kennis en regeringswetenschap den mensch, zonder daarvan een genie uit te sluiten, niet aangeboren wordt. (...)

Zucht en vaste wil tot bezuiniging is thans meer dan ooit prijzenswaardig; maar hier zoude door geheele afschaffing van een voor den lande nuttig staatscollegie de bezuiniging wel eens op schade voor den lande kunnen uitloopen."

 

Handelingen Tweede Kamer 1847/48, p. 640 e.v.

Bert van den Braak is al wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 28 november 2011.