Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De voorzitter van de Kamer moet geen ‘master of ceremony’ willen zijn

Wytze van der Woude

Wytze van der Woude

De voorzitter van de Tweede Kamer heeft een veelheid aan taken. Zij vertegenwoordigt de Kamer naar buiten, draagt een grote organisatorische verantwoordelijkheid en kan dienen als steun en toeverlaat voor (onervaren) Kamerleden. Allemaal belangrijk. Dit alles neemt echter niet weg dat de belangrijkste taak van een Kamervoorzitter toch echt schuilt in het in goede banen leiden van de vergaderingen van de Kamer.

Ondanks de waardering die ik overigens heb voor de huidige Kamervoorzitter, baart de houding die zij aanneemt ten aanzien van juist deze laatste taak mij enige zorgen. Het handhaven van orde in de Tweede Kamer bestaat namelijk uit meer dan alleen het aankondigen van de successievelijke sprekers en het aan- en uitschakelen van de geluidsversterkende apparatuur. Als dat het enige zou zijn, zou een echte voorzitter niet nodig zijn; een MC (master of ceremony) zou volstaan.

En daarin schuilt precies het probleem. Het voorzitterschap is geen ceremoniële functie, maar eist het handhaven van de parlementaire orde. Deze orde is – uiteraard niet toevallig – de raison d’être voor het Reglement van Orde van de Tweede Kamer. Hierin is vastgelegd dat de voorzitter de taak heeft leden die afwijken van het onderwerp van de beraadslagingen of zich beledigend uiten door de voorzitter tot de – wederom – orde geroepen worden. Het Reglement van Orde gebruikt hier bovendien een imperatieve vorm. Als een lid verbaal zijn boekje te buiten gaat, is het dus niet zo dat de voorzitter in kan grijpen; het Reglement gaat ervan uit dat de voorzitter dit ook daadwerkelijk doet. Als de Tweede Kamer in meerderheid van mening is dat dergelijk ingrijpen niet altijd noodzakelijk is, zou wijziging van het Reglement van Orde de eerste stap moeten zijn. Het gedogen van overschrijdingen van dit Reglement zou – zeker voor partijen die law en (jawel) order – hoog in het vaandel hebben, een doorn in het oog moeten zijn.

Daarmee is overigens nog niets gezegd over de wenselijkheid van dergelijke wijzigingen. Ik zou er in ieder geval niet aan beginnen. Hoewel er op zich enige ruimte is voor het versoepelen van het Reglement is er een ondergrens die niet overschreden mag worden. Daar waar in de Kamer uitspraken gedaan worden die buiten de Kamer langs strafrechtelijke weg zouden kunnen worden bestraft, moet – bij gebrek aan een mogelijkheid Kamerleden strafrechtelijk te vervolgen voor uitspraken in Kamerdebatten - steeds een rol voor de Kamervoorzitter moeten overblijven.

Maar er is meer. De Kamer vergadert (ook) als instituut. De voortdurende neiging op steeds scherper op de man te spelen, doet vermoeden dat Kamerleden het debat benutten om hun eigen persoonlijke oorlogjes te voeren. Kamerleden staan in de Kamer echter niet ter vermeerdering van de eigen eer en glorie, maar ter vertegenwoordiging van een volk. Dat is ook de reden dat in de Kamer via het instituut (namelijk via de voorzitter) spreken en zich niet rechtstreeks tot hun opponenten richten. De strafrechtelijke grens is daardoor te beperkt. Kamerleden en bewindspersonen moeten ook beschermd worden tegen persoonlijke aanvallen. Het strakker de hand houden aan het spreken via de voorzitter zou al een boel schelen. Tegen een instituut kun je immers niet zeggen: “Doe eens normaal man!”

November 2011

Wyzte van der Woude is docent staatsrecht aan de Universiteit Maastricht.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 28 november 2011.