Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Waar is het Europees Parlement gebleven?

Wytze van der Woude

Wytze van der Woude

Zomaar een greep uit de plenaire agenda van de het Europees Parlement van vorige week: veel visserij, voordrachten voor leden van de Europese Rekenkamer, een debat over de samenwerking met Rusland, een debat over de toestand in Syrië en iets met een richtlijn over vruchtensap. Was dat het? O ja, er werd ook nog stilgestaan bij de Eurocrisis: een halve ochtend, om precies te zijn.

De vaste “Committee on Economic and Monetary Affairs besteedt er iets meer aandacht aan. Deze commissie (een commissie van het parlement zelf, dus niet te verwarren met de (Europese) Commissie) heeft de afgelopen maanden vergaderd over Eurobonds en andere crisismaatregelen. Na 30 november drogen de persberichten van deze commissie echter op en lijkt er niet veel meer gebeurd te zijn; volgens haar eigen vergaderschema heeft de Committee namelijk sindsdien niet meer vergaderd, terwijl daar toch alle aanleiding voor geweest lijkt te zijn.

De vraag rijst of dat niet wat weinig is. Is het Europees Parlement in deze crisis wel zichtbaar? En zou het parlement dat überhaupt moeten zijn? Nu zou men kunnen zeggen dat in tijden van crisis dusdanig krachtdadig moet worden geopereerd dat het beter is de besluitvorming in eerste instantie in de handen van een zo klein mogelijke groep gelegd moet worden. Om dezelfde redenen vaardigen burgemeesters noodverordeningen uit (zie Heerlen) en niet de gemeenteraad. Voordat je een parlement op één lijn hebt, heeft de crisis zich alweer verdiept.

Toch is dat niet wat hier aan de hand is. Het belangrijkste probleem is namelijk dat het Eurobeleid binnen Europa een vreemde eend in de bijt is. Immers, omdat niet alle lidstaten van de EU deelnemen aan de Euro ligt het voor de hand vooral de Eurolanden inspraak te geven in dit beleid. Uiteraard is het zo dat ook niet-Eurolanden nadelige gevolgen ondervinden van de huidige Eurocrisis, maar dat deze gevolgen hoofdzakelijk afgeleid zijn van de gevolgen voor de zeventien Eurolanden zelf.

De Europese organen voorzien echter niet of nauwelijks in een platform waarbinnen deze zeventien landen zaken kunnen doen. De organen zijn namelijk niet afgestemd op zeventien Eurolanden, maar op alle zevenentwintig lidstaten. Dit probleem doet zich het hardst gevoelen bij de Europese Commissie, die nota bene een commissaris kent voor het Eurobeleid (Rehn), maar de besluitvorming rondom de Eurocrisis vooral moet overlaten aan regeringen van de Eurolanden enerzijds en de Europese Centrale Bank en het Europees Stelsel van Centrale Banken anderzijds. En daarin schuilt dan weer het probleem van het Europees Parlement. Vanuit het Europees Parlement bezien is de Europese Commissie zijn belangrijkste gesprekspartner. Er is geen directe verantwoordingsrelatie tussen het parlement en de ECB, laat staan tussen het parlement en de ESCB (bestaande uit nationale centrale bankiers) en al helemaal niet tussen het Europees Parlement en de nationale regeringen van de Eurolanden. Voor democratische controle op de besluitvorming in deze crisis zijn we dus primair aangewezen op onze eigen nationale parlementen. Dat betekent dat 130 km/uur op de snelweg of de (onbegrijpelijke) gedeeltelijke afschaffing van het ne bis in idem-beginsel maar even moeten wachten. In Den Haag zal het Europa moeten zijn dat de klok slaat.

De enige oplossing voor het Europees parlement ligt misschien uiteindelijk in een Europa van twee snelheden (of twee verdragen). Daarbij moet echter wel de vraag worden gesteld of in dat geval Europarlementariërs uit niet-Eurolanden (of Europarlementariërs uit landen die zich niet willen onderwerpen aan de crisismaatregelen) wel aan de beraadslagingen zouden mogen deelnemen.

december 2011

Wytze van der Woude is universitair docent staatsrecht bij Capgroep Publiekrecht, Universiteit Maastricht


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 19 december 2011.