Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

'Ook ledenloze partij biedt geen garantie tegen gedoe'

Ook een partij-zonder-leden biedt geen waterdichte garantie tegen dissidentisme, interne onrust, afsplitsingen  en ander ‘gedoe’. Voor ‘partijenkenner’ Gerrit Voerman, directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) in Groningen, laat het vertrek van Hero Brinkman uit de PVV zien dat ook de ledenloze partij, georganiseerd rondom een leider, ‘kwetsbaar’ is voor ‘intern gedoe’, ‘misschien wel kwetsbaarder dan verondersteld’.

‘Geert Wilders heeft van de PVV welbewust een eenmanspartij gemaakt’, legt Voerman uit. ‘Dat kwam enerzijds voort uit de populistische opvatting – ideologisch onderbouwd door zijn ‘adjudant’ Martin Bosma - dat leden een barrière zouden vormen tussen de kiezers en de volksvertegenwoordigers. Anderzijds vinden Wilders en Bosma dat leden op den duur alleen maar gedoe veroorzaken. Dat is, zou je kunnen zeggen, de les die Wilders en Bosma hadden geleerd van de LPF, de partij van Fortuyn die na een stormachtige opkomst al heel snel aan allerlei interne conflicten en tegenstellingen ten onder ging. Om dat te voorkomen, heeft het duo Wilders/Bosma gekozen voor een centralisme van het strengste soort: de PVV is een ‘bedrijf’ waar één man het voor het zeggen heeft.’

‘Maar ook die aanpak is niet waterdicht gebleken’, analyseert Voerman. ‘Naarmate de partij uitdijde en met name in de Provinciale Staten zetels kreeg, kwamen er mensen die zich niet schikten in de alleenheerschappij van Wilders. Op diverse plekken – in Limburg, in Friesland, in Den Haag, recentelijk nog in Almere,  in het Europese Parlement – hebben zich al verschillende, uiteenlopende afscheidingen voorgedaan. Het blijkt praktisch onuitvoerbaar om een partij, vanuit ‘Den Haag’, met een ijzeren hand te regeren. In de politiek laten mensen, ook als je ze zorgvuldig rekruteert en zelfs opleidt, zich niet als willoos werktuig gebruiken.’

Door al het ‘gedoe’  begint volgens Voerman de PVV bijna steeds meer op een gewone beginnerspartij te lijken. ‘Nieuwe partijen, zeker als ze snel groot worden, lopen – zo leert de geschiedenis – het risico van even snelle afsplitsingen. Dat begon al bij de Boerenpartij, de Ouderenpartijen zijn zo ten onder gegaan, om nog maar te zwijgen van de LPF. Trots op Nederland van Rita Verdonk kwam om die reden nooit echt van de grond. Het ontbreekt de nieuwkomers vaak aan organisatie, organisatiekracht en organisatietalent om iedereen bij elkaar te houden. Ze missen ook bepaalde tradities, breed aanvaarde mores en omgangsvormen, het gezag van een éminence grise, kortom een samenbindende partijcultuur. Daarom gooide het duo Wilders/Bosma het over de boeg van de ledenloze partij.’

Het ‘geval-Brinkman’ is voor de PVV meer dan een gewone afsplitsing, vermoedt Voerman. ‘Het gaat om iemand van het eerste uur, een van de Oude Negen, zoals het binnen de PVV wordt genoemd, de eerste Tweede Kamerfractie rond Wilders  uit 2006. Dat hij de loyaliteitsband doorknipt, is veelzeggend. Bovendien gingen er drie Statenleden met hem mee. Dit is nog niet eerder vertoond in de PVV.’

Den Haag/Groningen, maart 2012


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 26 maart 2012.