Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Nationale versterking van ‘Europa’

De erfenis van Fortuyn ten aanzien van de Europese Unie

 
Wytze van der Woude

Een Eurohater was Pim Fortuyn niet. Veel meer was hij eurosceptisch, analyseert Wytze van der Woude (MI Maastricht). ‘Fortuyn wist een algeheel gevoel van onbehagen rondom het voor veel mensen te abstracte en onoverzichtelijke Europese project feilloos bloot te leggen’.

Pim Fortuyn was niet blind voor de zegeningen van de Europese Unie. Europese samenwerking bracht vrede en welvaart; het behoeden en zelfs het uitbreiden hiervan was voor hem van het grootste belang. Hij was dus bepaald geen Eurohater. Toch kan Pim Fortuyn wel worden beschouwd als Eurosceptisch: de Nederlandse financiële bijdrage aan de Europese Unie was te groot, de structuurfondsen en (landbouw)subsidies zouden moeten worden afgeschaft en – om maar een aantal punten van kritiek te noemen – de eisen aan nieuwe toetreders zouden moeten worden versterkt. Ook zou de Nederlandse bevolking directer moeten worden betrokken bij de meest vergaande Europese besluitvorming. Dat wil zeggen: per nieuwe (groep) toetredende lidsta(a)t(en) zou in Nederland een referendum moeten worden georganiseerd.

Staatsrechtelijk bezien is het interessant om te constateren dat Fortuyn zich niet richtte op directe invloed van de Europese bevolking, maar juist op directe inbreng van de Nederlandse bevolking. In het gehele Europese gedachtegoed van Fortuyn klinkt een nadrukkelijke voorkeur door voor intergouvernementele samenwerking en niet – of in ieder geval veel minder – voor supranationale samenwerking. ‘Europa’ zou in die optiek eerder een samenwerkingsverband van gelijkwaardige nationale staten moeten zijn, in plaats van een autonome organisatie die zich meer en meer richting een federaal staatsverband beweegt. In dit licht kan ook worden verklaard dat Pim Fortuyn een verklaard voorstander was van het afschaffen van een direct gekozen Europees Parlement.

Deze opstelling riep de voor de hand liggende tegenwerping op dat het een voorvechter van (in sommige gevallen: directe) democratie niet past het lichtende baken van de Europese democratisering – het Europees Parlement – te ontmantelen. Maar daarin zat voor Fortuyn nu juist het punt. Het was hem niet te doen om versterking van de Europese democratie, maar juist om versterking van de nationale democratie. Daartoe had hij een aanzienlijk actievere rol in gedachten voor de Tweede en Eerste Kamer. Bij gebrek aan een direct gekozen Europees parlement zouden de Kamers leden moeten afvaardigen naar een Europese Senaat en – belangrijker – zouden zij zich intensiever moeten bemoeien met het onderhandelingsmandaat waarmee Nederlandse ministers zouden afreizen naar vergaderingen van de Raad van Ministers in Brussel. Alleen op die manier zou het nationale democratische fundament onder de Europese Unie kunnen worden versterkt.

Deze gedachte was overigens niet nieuw. In sommige stromingen binnen de nationale staatsrechtwetenschap kon een dergelijke denklijn al jaren eerder worden aangetroffen. Binnen de Haagse politieke ‘main stream’ waren hiervoor echter betrekkelijk weinig voorstanders.

De Europese Unie van tegenwoordig overziend, kan niet worden gezegd dat het door Fortuyn voorgestelde beeld gerealiseerd is. Met de totstandkoming van het Verdrag van Lissabon is een groot aantal Europese besluitvormingsprocessen gestroomlijnd en is het op een groeiend aantal beleidsterreinen mogelijk geworden (groepen van) nationale lidstaten te overrulen. In de nationale opstelling ten opzichte van Europa zijn echter wel een aantal Foruyneske tendensen zichtbaar.

Dat geldt uiteraard niet in het minst voor de organisatie van het raadplegende referendum met betrekking tot de Europese Grondwet. Het enkele feit dat dit referendum werd georganiseerd, maar ook de door veel partijen niet vermoede weerstand die deze licht-federalistische Grondwet opriep, passen naadloos in de gedachtewereld van Pim Fortuyn. Ook de groeiende politieke en maatschappelijke weerstand tegen nadere uitbreiding van de Europese Unie (niet alleen ten aanzien van Turkije) past in dit beeld.

Hoewel de meer staatsrechtelijke achtergrond van al te grote overdracht van nationale bevoegdheden aan Europese instellingen misschien aan veel kiezers voorbijgegaan zal zijn, wist Fortuyn een algeheel gevoel van onbehagen rondom het voor veel mensen te abstracte en onoverzichtelijke Europese project feilloos bloot te leggen. Daarmee is een storm van kritiek opgelaaid die vooralsnog niet is gaan liggen. Zonder de PVV meteen tot politieke erfgenaam van Pim Fortuyn te bombarderen (daarvoor zijn er te grote inhoudelijke verschillen, alsmede verschillen in politieke stijl) kan een deel van het Eurokritische succes van de PVV worden verklaard uit de lessen die zij trokken uit het gedachtegoed van Pim Fortuyn.

Dit succes is ook andere politieke partijen niet ontgaan. In het kielzog van de PVV, de SP en de kleine christelijke partijen, hebben ook partijen als de VVD en in zekere zin het CDA hun Europese koers enigszins gewijzigd. Het gegeven dat het huidige kabinet een minderheidskabinet is dat zijn politieke steun voor Europese besluitvorming bij de oppositie moet zoeken, speelt bovendien één van de andere speerpunten van Fortuyn in de kaart. Immers, omdat de VVD en het CDA niet kunnen rekenen op de Europese steun van de PVV is – zeker binnen het kader van de Eurocrisis – de gewoonte ontstaan dat vooral de minister van Financiën op voorhand vergadert met de (commissie Financiën van de) Tweede Kamer. Daarmee beperkt de minister op voorhand zijn Europese speelruimte en kan ons nationale parlement een veel grotere invloed uitoefenen op Europese beleidsvorming dan voorheen.

Deze bijdrage verscheen in 'De Hofvijver' nr. 14 d.d. 23 april 2012.