Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Europa als lokale realiteit: migratie uit Midden en Oost-Europa

Het vervagen van de grenzen binnen de Europese Unie heeft bijgedragen aan een sterke toename van migratie binnen Europa. Een recente publicatie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ‘In Betere Banen’ laat zien dat arbeidsmigratie , in het bijzonder binnen Europa, helemaal terug is van weggeweest.

Met name de arbeidsmigratie uit Midden en Oost-Europese landen doet vroegere tijden van de toestroom van gastarbeiders herleven. Een ander echo uit het verleden is dat ook nu verondersteld wordt dat het om tijdelijke migratie gaat en een op integratie gericht beleid dus niet nodig zou zijn. Met name op lokaal niveau blijkt deze noodzaak tot een op integratie gericht beleid weldegelijk aanwezig.

Vanuit Europees perspectief spreekt men ten aanzien arbeidsmigratie binnen de EU liever over ‘mobiliteit’ dan ‘migratie.’ Dat is begrijpelijk omdat het gaat om EU-burgers die gebruik maken van het recht op vrij verkeer binnen Europa.

Tevens is de gedachte dat het gaat om tijdelijke migratie, bijvoorbeeld seizoensarbeid, op z’n minst ten dele correct. In zoverre dat men kan spreken van een Europees integratiebeleid voor migranten, is dit beperkt tot zogenaamde ‘derdelanders’ of migranten van buiten de Europese Unie.

In Nederland, net als in landen als Groot-Brittannie, vormen de zogenaamde ‘MOE-landers’ de snelst groeiende migrantencategorie; in ons land momenteel ca. 300.000 waarvan ongeveer driekwart van Poolse oorsprong. Met de voorziene opheffing van migratiebeperkingen voor Roemenen en Bulgaren per 1 januari 2014 (tot dan is een speciale werkvergunning nodig) is de verwachting dat de toestroom van MOE landers verder zal toenemen.

Recent onderzoek laat zien dat lang niet alle MOE landers tijdelijke migranten zijn.[ii] Een aantal migreert door, met name naar Groot-Brittannie. Een steeds groter aantal blijkt echter ook voor een min of meer permanente vestiging te kiezen.

De differentiatie in migratiepatronen heeft vaak heel specifieke lokale consequenties. In regio’s waar veel MOE landers werkzaam zijn, denk aan tuinbouw in gemeentes als Westland en Lansingerland, zullen de lokale consequenties vaak positief gewaardeerd worden, vooral in economische zin. Denk ook aan de zogenaamde Polenhotels die gebouwd worden om migranten op te vangen.

De consequenties zijn heel anders voor steden als Den Haag en Rotterdam waar veel MOE landers huisvesting vinden. Daar worden scholen steeds vaker geconfronteerd met kinderen van bijvoorbeeld Poolse of Bulgaarse komaf die geen of nauwelijks Nederlands spreken. Ook is sprake van huisvestingsproblematiek, denk aan illegaliteit, daklozen, maar ook diverse vormen van overlast.

De historische paradox is dat deze situatie zich juist uitkristalliseert op een moment dat de mogelijkheden tot het voeren van een gericht integratiebeleid beperkt worden. Allereerst beperkt de Europese context de mogelijkheden tot gericht integratiebeleid voor EU burgers. Veel integratiebeleid is vernauwd tot inburgeringsbeleid, en inburgering kan niet verplicht worden gesteld voor EU burgers.

Daarnaast wordt op nationaal en lokaal niveau het integratiebeleid zoals dit zich over de voorbije drie decennia heeft ontwikkeld, steeds verder afgebouwd. Er is sprake van ‘mainstreaming’ waarbij aandacht voor integratie wordt verspreid over beleidssectoren, hetgeen het moeilijker maakt om aandacht te geven aan specifieke problemen van specifieke groepen. Tevens zijn de budgetten die nationale en lokale overheden tot voor kort hadden om integratiebevorderende maatregelen te nemen sterk afgeroomd, onder meer onder het mom van bevordering van eigen verantwoordelijkheid.

Onder meer de burgemeester van Rotterdam, Ahmed Aboutaleb, maakt zich daarom sterk voor een meer gericht beleid op MOE landers. Hij verwijt Europa onder meer dat het de problemen van ‘arbeidsmobiliteit’ binnen Europa op het bord van de gemeentes legt.[iii] Samen met zijn Haagse collega doet Aboutaleb er niet alleen alles aan om het nationale beleid meer aandacht te krijgen voor MOE landers (hetgeen steeds beter lukt, getuige de Donner nota over Integratie, Binding en Burgerschap), maar ook samen met andere steden in Europa op te trekken met een stevige lobby.

Dit laat niet alleen zien wat de lokale realiteit kan zijn van Europees beleid, het toont ook het multi-level karakter van het zoeken naar passende beleidsoplossingen. Waar in het kader van de huidige crisis veel aandacht uitgaat naar de ontwikkeling van Europese instituties, onderstreept dit voorbeeld vooral het belang van de ontwikkeling van bestuursstructuren maar ook bestuursculturen waarbij de interactie tussen bestuurslagen centraal staat.

Dit zou niet alleen het fundament van Europa kunnen versterken, maar ook gewoon beter passen bij het meerlagige karakter van veel beleidsproblemen zoals migratie en integratie.

[i] Engbersen e.a. (2011). Arbeidsmigratie in vieren. Erasmus Universiteit Rotterdam.

[ii] Zie onder meer: http://www.elsevier.nl/Nederland/nieuws/2012/11/Ahmed-Aboutaleb-bezorgd-over-komst-duizenden-Roma-ELSEVIER355188W/.