Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Partijfinanciën: een betere wet met een groot gat

Eind januari publiceerde het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen traditiegetrouw de jaarlijkse ledentallen van politieke partijen. Er was het afgelopen jaar sprake van een lichte stijging, ook al heeft de VVD veel last gehad van de opstand in eigen gelederen tegen het voornemen de zorgpremie inkomensafhankelijk te maken.

De relatief grootste stijger was 55+ die groeide naar ruim 5700 leden, maar dat is nog altijd minder dan  tien procent van het grootste ledental van het CDA (ruim 59000 leden). De PvdA groeide iets en was met ruim 55.000 leden de tweede partij qua ledentallen. De 100.000 leden die partijvoorzitter Hans Spekman nastreeft zijn nog erg ver weg. Bij elkaar is ongeveer 2,5% van alle kiesgerechtigden lid van ene politieke partij (ruim 315.000).

Dat is beduidend minder dan tijdens de verzuiling. In de jaren vijftig was ongeveer 15% lid van een partij. De ingezette individualisering vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw trof ook de partijen. Dat bracht tevens met zich mee dat de banden tussen partijen en verwante organisaties werden doorgesneden, ook in financiële zin. En dat op een moment dat de kiezers meer dan ooit begonnen te ‘zweven’ en verkiezingscampagnes daardoor steeds belangrijker werden.

De kwetsbare politieke partijen moesten het dus met minder inkomsten van leden en uit zuilverwante organisaties doen. Vanaf de jaren 1970s kwam de staat te hulp. Eerst met subsidies aan met partijen verwante organisaties voor wetenschappelijk onderzoek, jongeren en scholing. Later met directe subsidies aan partijen voor met name genoemde doelen. In 1999 werd dat in de Wet subsidiering politieke partijen (Wspp) vastgelegd. In die wet werden ook enkele voorzichtige pogingen gedaan om de transparantie van de partijfinanciën te vergroten.

Maar de wet had geen tanden. Daarom werd er al vrij snel gestreefd naar een wet waarin die transparantie beter geregeld zou worden. Dat is de inzet van de nieuwe Wet financiering politieke partijen, waarover de Eerste Kamer binnenkort besluit.

De lange duur van de wetsvoorbereiding verraadt het gebrek aan consensus en misschien ook politieke wil om er iets aan te doen. Vooral dankzij een zeer kritisch rapport van de Raad van Europa in 2008 kwam er vaart in de zaak.

Het wetsvoorstel is een duidelijke verbetering ten opzichte van de vorige wet. Giften van (rechts)personen aan partijen en aan individuele kandidaten boven (in totaal) 4500 euro per jaar moeten publiek worden gemaakt. Donaties boven de 1000 euro dienen te worden geregistreerd. Dit geldt ook voor giften in natura, die in marktprijzen worden gewaardeerd. Denk aan het gratis ter beschikking stellen van een vergaderzaal of een reclamezuil. Wanneer niet aan deze eisen wordt voldaan, volgen boetes.

Het is erg jammer dat de regering het niet heeft aangedurfd om ook grenzen te stellen aan het bedrag dat jaarlijks aan partijen en kandidate mag worden gedoneerd. Zij kiest voor een libertair model van regelgeving, waarbij zoveel mogelijk vrijheid aan donateurs en partijen wordt gegund, terwijl ook gekozen had kunnen voor een meer egalitair model, waarbij het criterium van gelijkheid van kansen (level playing field,  Chancengleichheit) zwaarder meeweegt, zoals in Duitsland en Canada het geval is. Als over een paar jaar uit de voorziene evaluatie blijkt dat vermogende personen de verkiezingen door donaties zouden kunnen overheersen, pas dan is de regering bereid ook het andere beginsel in ogenschouw te nemen. Een gemiste kans.

Dat geldt ook voor het beperken van de nieuwe wet tot slechts het nationale niveau. Op dat niveau is de wet wat de vereisten van transparantie betreft een veel betere dan de huidige wet, maar het ontbreken van de doorwerking van de wet op het sub-nationale niveau is een groot gat in dit wetsvoorstel. De Raad van Europa zal er niet blij mee zijn. De transparantie-vereisten kunnen zo gemakkelijk worden omzeild. Als je niet wilt dat een grote donatie bekend wordt, geef je die gewoon aan een lokale afdeling. Alsof de lokale en regionale politiek niet gebaat zou zijn met transparantie. De zich ontwikkelende affaire in Roermond bewijst vooralsnog het tegendeel.

Het vorige kabinet wilde ook deze kwestie naar de toekomst verdagen. Het regeerakkoord van het huidige kabinet stelt echter dat de registratie en openbaarmaking van giften via een reparatiewet ook van toepassing zullen worden verklaard op het sub-nationale niveau. Die wet zou in 2015 in werking moeten treden. Dat is goed nieuws voor de transparantie. Laat minister Plasterk daar snel werk van maken.

Alle bezwaren van partijen dat de administratieve lastendruk daarmee te hoog zou worden moeten worden genegeerd. Wel kan hij die partijen te hulp schieten door vanuit zijn ministerie een ‘tool’ te ontwikkelen die politieke partijen in staat stelt de financiële gegevens op eenvoudige, uniforme en transparante wijze te rapporteren. Het grote gat in voorliggend wetsvoorstel hoeft de parlementaire goedkeuring niet te frustreren, als maar meteen duidelijk is dat de informatie aan de kiezers over de inkomstenbronnen van politici en partijen binnenkort ook het sub-nationale niveau zal betreffen.

Eerst deze wet aannemen, spoedig gevolgd door een reparatiewet. Dan hebben de kiezers eindelijk zekerheid over waar partijen hun geld vandaan halen en kunnen zij beoordelen of zij hun stem wel moeten geven aan partijen die in grote mate afhankelijk zijn van grote geldschieters - al dan niet uit het buitenland-, of aan kandidaten die zich op schimmige wijze laten trakteren - al dan niet via een reclamezuil. Dat zou winst zijn voor de democratie.