Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Het socialisatiestreven en de sociaaldemocratie

Simon Otjes, Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen Rijksuniversiteit Groningen

Deze maand nationaliseerde Jeroen Dijsselbloem SNS-Reaal. Hij was de tweede sociaaldemocratische minister van Financiën die zich door de voortdurende kredietcrisis genoodzaakt voelde om een bank in overheidshanden te nemen. Wordt hiermee het klassieke sociaaldemocratische streven naar socialisatie in de praktijk gebracht?

Het streven naar socialisatie van de productiemiddelen, dat wil zeggen deze middelen dienstbaar maken aan het welzijn van de gemeenschap en niet langer aan het particuliere belang van diegenen die deze middelen bezitten, is een klassiek sociaaldemocratisch streven dat terug te vinden is in de beginselprogramma's van de SDAP.

In het eerste beginselprogramma van de PvdA uit 1947 wordt voor het eerst expliciet opgeroepen om het bankwezen te socialiseren. Deze sector wordt samen met industrie en transport genoemd. De op deze beginseluitspraak volgende verkiezingsprogramma's bevatten geen voorstellen om dit streven in de praktijk te brengen. Wel vragen ze om verscherpt toezicht van het bankwezen en de socialisatie van het particuliere mijnbedrijf.

De socialisatie van het bankwezen is alweer uit het beginselprogramma van 1959 gevallen. Programma's uit deze periode vragen om allerhande nationalisaties, zoals van het verzekeringsbedrijf en bodemschatten, maar niet van het bankwezen. In het sterk door Nieuw Links beïnvloedde beginselprogramma van 1977 roept de PvdA op om de banken in gemeenschapsbezit te brengen. Tussen 1981 en 1986 had de PvdA haar hoop gevestigd op de Postgiro/Rijkspostspaarbank. Deze in 1977 gevormde bank wás in overheidshanden, de sociaaldemocraten wilden dat deze bank tot een belangrijk financieel instituut kon uitgroeien. Deze bank werd echter in 1986 geprivatiseerd door CDA en VVD. Sindsdien zwijgt de PvdA in alle talen over de mogelijkheid van staatsbanken. Gedurende de jaren '90 steunt de PvdA wel de verzelfstandiging van de NS en de liberalisering van de energiemarkt. Dat dit in strijd is met het beginselprogramma uit 1977 is voor de PvdA geen kwestie meer: Wim Kok schudde in de Den Uyl-lezing van 1995 de ideologische veren van de PvdA af.

In 2005 schrijft de nieuwe partijleider Wouter Bos, afkomstig uit het bedrijfsleven en bekend vanwege zijn sociaal-liberale sympathieën, samen met partijvoorzitter Ruud Koole (een vertegenwoordiger van de linkerflank van de PvdA) een nieuw beginselprogramma. Dit programma vormt een afsluiting van een periode van verregaande liberalisering van het gedachtegoed van de sociaaldemocraten. Het programma noemt een beschaafd kapitalisme waarin het marktmechanisme beperkt wordt door wetten en regels, een verworvenheid van de sociaaldemocratie. Van enig socialisatiestreven is geen spoor meer over: of de markt of de overheid diensten aanbiedt, is voor de PvdA geen principekwestie. Soms is de overheid hier beter in en soms de markt.

Eind 2008 wordt de PvdA geconfronteerd met het falen van de markt. Fortis verslikte zich in de overname van ABN-AMRO. Het Nederlandse deel van de bank werd door minister van Financiën Bos onder de naam ABN-AMRO in overheidshanden gebracht.

Anno 2010 dacht Bos anders over de vrije markt dan wat hij had opgeschreven in 2005. De kredietcrisis had de grond onder zijn naïeve geloof in de ondernemingsgewijze productie weggeslagen. In de Den Uyl-lezing begin dat jaar, vergeleek hij de vrije markt met de in Diergaarde Blijdorp uit zijn verblijf ontsnapte aap Bokito, om te illustreren dat regelgeving en toezichthouders soms onvoldoende sterk gebleken waren en dat de enige bescherming tegen de vrije markt een brede greppel was.

In het verkiezingsprogramma van 2012 was de PvdA kritisch over de bankensector: "Winsten van banken zijn privaat, maar de risico's worden afgewenteld op de belastingbetaler." Hierin schuilt een kritiek die door linkse economen als Ewald Engelen en Alfred Kleinknecht is geuit op de keuze om banken te redden: bankiers kunnen grote risico's nemen omdat ze weten dat als ze ten ondergaan, ze wel gered zullen worden door de overheid. Het programma stelt voor om de ABN-AMRO niet naar de beurs te brengen en deze bank dienstbaar te maken aan het publieke belang. Hiervoor is een nieuwe organisatievorm nodig; één waarbij geduldige investeerders - en niet durfkapitalisten - aan het roer zitten. Hierin horen we iets van het oude socialisatiestreven van de PvdA terug. Socialisatie betekende namelijk niet per se het in overheidshanden brengen van productiemiddelen, maar deze richten op het welzijn van de gemeenschap.

De nationalisatie van de SNS-Reaal was noodzakelijk omdat de bankverzekeraar zich dreigde ten onder te gaan aan haar nieuwe vastgoedpoot. De opname van het Bouwfonds bracht de vijfde financiële instelling van Nederland aan de rand van de afgrond. De aankoop had plaatsgevonden in 2006, voordat strengere regels in werking getreden waren.

Is de nationalisatie van SNS-Reaal een uiting van diep verlangen van de PvdA? Er zijn twee belangrijke redenen omdat niet zo te zien:

  • 1. 
    In de eerste plaats streefden de sociaaldemocraten volgens haar beginselprogramma van 2005 en haar verkiezingsprogramma's sinds 1986, niet meer naar het in overheidshanden brengen van banken. De partij had allerlei privatiseringen, verzelfstandigingen en liberaliseringen gesteund. Het nieuwe beginselprogramma sprak geen voorkeur uit voor de markt of de overheid. In een beschaafd kapitalisme had de overheid vooral een rol als marktmeester.
  • 2. 
    Ten tweede, in het laatste programma van de PvdA wordt niet het streven uitgesproken om nog meer banken in overheidshanden te brengen. De PvdA streefde naar een organisatievorm waarbij banken zich richten op het publiek belang. Dat is wel socialisering, maar geen nationalisering. Het sociaaldemocratisch programma onderschrijft juist de kritiek dat het redden van private banken met publiek geld leidt tot perverse prikkels voor bankiers om meer risico te nemen.

Hieruit blijkt dat de overname van SNS-Reaal een noodgreep was van een sociaaldemocratische bewindspersoon om erger te voorkomen. Het was geen power grab van een socialist voor wie het enige antwoord op alle maatschappelijke problemen de socialisatie van de productiemiddelen is.

Dit artikel verscheen in 'De Hofvijver' nr. 27 d.d. 25 februari 2013.