Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De inhuldigingseed voor leden van de Eerste en Tweede Kamer is potsierlijk

Madeleine van Toorenburg, Tweede Kamerlid (CDA)

Het is maar goed, dat Erik Jurgens geen Kamerlid meer is. Anders zou hij worden uitgenodigd om op 30 april deel te nemen aan een ‘rare vertoning’. Zo noemt hij de inhuldiging van koning Willem-Alexander op de Podiumpagina in Trouw (19 februari). Kamerleden hebben allemaal al gezworen of beloofd de Grondwet in acht te zullen nemen. Het is zinloos om dat op een dag als 30 april nog eens dunnetjes over te doen. Jurgens stoort zich aan de gezwollen tekst van de inhuldigingseed. Hij spreekt in dit verband zelfs van ‘staatsrechtelijke travestie’, wat dat ook wezen moge.

In 1981 werden de grondwetsartikelen over het koningschap herzien. De PPR (de partij van Jurgens!) stelde voor om de inhuldiging te schrappen. Kamerlid Waltmans vond de eed of belofte, door middel waarvan de leden van de Kamers de plechtige verklaring, door de voorzitters uitgesproken, beëdigen of bevestigen, principieel onjuist gezien de positie van de volksvertegenwoordigers. Zijn amendement werd echter verworpen; alleen PPR, PSP en CPN stemden voor.

Koningin Beatrix zei bij haar inhuldiging: ‘Vertrouwen van volk en parlement is ook de grondslag van de constitutionele monarchie. Niet macht, persoonlijke wil of aanspraak op erfelijk gezag, maar slechts de wil de gemeenschap te dienen, kan inhoud geven aan het hedendaagse koningschap. In die geest zijn wij bijeengekomen om aan elkaar in oude woorden, beloften af te leggen.’

Dat noem ik geen rare vertoning, dat noem ik een mooie traditie! Ik vind het een voorrecht, dat ik erbij mag zijn op 30 april.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 25 februari 2013.