Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Christen-Democratische Unie?

Over de mogelijkheid van een fusie tussen het CDA en de ChristenUnie

Simon Otjes en Gerrit Voerman, beiden verbonden aan het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Simon Otjes als wetenschappelijk medewerker, Gerrit Voerman als hoogleraar.

Bij de laatste verkiezing voor de Tweede Kamer in september 2012 heeft de electorale neergang van het CDA zich verder doorgezet: in de laatste zes jaar heeft de partij die lange tijd de Nederlandse politiek domineerde twee derde van zijn stemmen verloren. Opvallend genoeg heeft de ChristenUnie in het geheel niet van het verval van de  chris­tendemo­cra­ten geprofiteerd, integendeel; in dezelfde periode raakte zij zelf een kwart van haar kiezers kwijt. Beide partijen zijn de laatste jaren in het defensief, als gevolg van de secularisering en deconfessionalisering.

Deze toenemende marginalisering van de christelijke politiek in Nederland zou voor het CDA en de ChristenUnie reden kunnen zijn om na te denken over een gezamen­lijk optrekken of zelfs een samengaan. Een fusie tussen die twee was altijd ondenk­baar, alleen al van­wege het grote onderlinge krachts­verschil: het CDA was in 2006 in zeteltal zeven keer zo groot als de ChristenUnie. Anno 2013 lopen zij in om­vang echter veel minder uiteen: het CDA heeft dertien zetels, de ChristenUnie vijf; in de peilingen van de af­ge­lopen weken is het verschil nog kleiner. Ook de ledentallen be­wegen naar elkaar toe, alhoewel het verschil nog altijd aanzienlijk  is: het CDA telde begin 2013 59.000 leden, de ChristenUnie 24.000.

Als beide partijen in zwaar weer verkeren, waarom gaan ze dan niet samen? Is de christelijke politiek in een sterk seculariserende samenleving immers niet gebaat bij een krachtig geluid? Bovendien staan de ChristenUnie en het CDA vaak dicht bij elkaar. Kiezers van beide partijen hebben over en weer tamelijk grote sympathie voor elkaar. Uit cijfers van het Nederlands Kiezersonderzoek uit 2010 (de gegevens uit 2012 zijn nog niet beschikbaar) blijkt dat de kiezers van de ChristenUnie na hun eigen partij de meeste sympathie hebben voor het CDA. De SGP komt pas op de derde plaats, terwijl de ChristenUnie met die partij bijvoorbeeld bij de Europese verkiezin­gen van 2009 nauw heeft samengewerkt. Onder CDA-kiezers staat de ChristenUnie op de derde plaats, na de eigen partij en de VVD.

Die wederzijdse sympathie kan samenhangen met een gedeelde achtergrond. Het electoraat van het CDA en de ChristenUnie is in hoge mate godsdienstig: 84% res­pectievelijk 97% van hun kiezers geeft aan religieus te zijn. Daarachter schuilt even­wel de nodige verdeeldheid: de grootste groep onder de ChristenUnie-stem­­mers is gere­formeerd, maar onder CDA-stemmers katholiek. De ChristenUnie is echter veel minder antikatholiek dan in het verleden; de partij heeft al geruime tijd haar vizier ook op behoudende katholieke kiezers gericht. Beide partijen trekken vooral kiezers van het platteland, wat niet vreemd is omdat daar meer gelovigen wonen dan in de grote stad: tussen de 70 en 75% van hun stemmen zijn afkomstig uit gebieden die niet sterk geürbaniseerd zijn.

Ook de politieke verschillen tussen het CDA en de ChristenUnie zijn op de lan­gere termijn bezien afgenomen, zoals blijkt uit hun samenwerking in het vierde kabinet-Balkenende in de jaren 2007-2010, dat overigens niet ten val kwam door toedoen van een hen, maar door de derde coalitiepartner, de PvdA. Na de val van het eerste kabinet-Rutte konden ChristenUnie en CDA in mei 2012 beiden het ook prima vinden in het Vijfpartijenakkoord. Ook in de sociaal-culturele sfeer vinden de kiezers van beide partijen elkaar: op veel onderwerpen, zoals immigratie, islam en veiligheid, heb­ben de kiezers van het CDA en de ChristenUnie dezelfde mening. Zo wil 86 resp. 87% strengere straffen; vindt 52 resp. 55% dat illegale immigranten niet mogen blijven; en is 60 resp. 65% tegen toetreding van Turkije tot de EU.

Niet op alle gebieden en is sprake van overeenstemming: zo is een meer­der­heid van de kiezers van de ChristenUnie tegen verdere Europese integratie, terwijl een meerderheid  van de CDA-kiezers voor is. Ook de opvattingen over ethische thema’s zoals het homohuwelijk en euthanasie lopen nogal uiteen. ChristenUnie-kie­zers zijn hier in meerderheid tegen; in het CDA-electoraat is dat slechts een (be­trek­­kelijk) kleine minderheid (53% resp. 11% tegen het homohuwelijk; 76% resp. 30% tegen euthanasie). De tijd dat er met de ChristenUnie  niet te praten viel zonder dat eerst de wetgeving inzake abortus, euthanasie en homoseksualiteit volledig zou wor­den teruggedraaid is echter al enige tijd voorbij: in 2006 heeft de partij in haar ver­­kiezingsprogramma deze eis laten vallen. Boven­dien zijn in de dagelijkse politiek deze onderwerpen sterk naar de achtergrond geschoven.

Op sociaal-economisch gebied zijn de verschillen tussen beide partijen groter. In het algemeen zien we een rechtser CDA-electoraat en een linkser ChristenUnie-electoraat. Wat betreft de niet onbelangrijke wens van een meer gelijke inkomens­ver­deling naderen de kiezers van beide partijen elkaar echter tot op zekere hoogte weer: 69% van de ChristenUnie-kiezers is hiervan voorstander, tegenover 54% van de CDA-kiezers.

De geschiedenis heeft geleerd dat partijen pas fuseren wanneer ze in hetzelfde schuitje zitten: electorale neergang of stagnatie, met als gevolg het verlies van macht, zijn on­mis­bare voorwaarden voor een organisatorisch samengaan. Het in 1980 uit drie par­tijen geformeerde CDA en de in 2000 uit de samensmelting van twee partijen voortgekomen Christen­Unie we­ten er alles van; hun samengaan was bedoeld om het proces van teloorgang dat eraan vooraf ging, een halt toe te roepen. Het CDA en de ChristenUnie bevinden zich nu ook weer in een situatie van neergang respectievelijk stagnatie (waarbij de Chris­ten­Unie op geen enkele wijze beter wordt van het verlies van het CDA), wat perspec­tieven kan openen op hun samengaan.

Een dergelijk proces wordt vergemakkelijkt door de verkleining van de onder­linge krachtsverhoudingen, de grote wederzijdse sympathie, door beider ligging in het godsdienstige domein en door de grote mate van politieke overeenstemming op on­der­­­werpen uit de sociaal-culturele sfeer. Ver­schillen bestaan er over sociaaleconomi­sche thema’s, maar die zijn betrekkelijk klein. Ethische issues als homohuwelijk en euthanasie laten een grotere verdeeldheid zien, maar de praktisch-politieke relevantie daarvan is in de afgelopen jaren sterk verminderd. Ook van belang is dat is de op­stel­ling van de Chris­ten­­Unie in de politiek als zodanig geleidelijk aan veranderd is. Voort­gekomen uit twee partijen met sterk principiële stelling­names is zij zich gelei­de­lijk aan pragmatischer gaan op­stellen – een onvermij­delijke strategie voor een op de politieke flank gepositioneerde partij die aan elec­torale of bestuurlijke relevantie wil winnen.

Al met al is de ChristenUnie dichter in de buurt van het CDA gekomen. Deze toenadering hoeft niet op korte termijn op een fusie uit te lopen, maar een semiper­ma­nent partnerschap tussen beide partijen, (vooralsnog) met behoud van hun eigen iden­ti­teit is wel denkbaar – zeker wanneer de electorale tegenspoed aan­houdt. Daarbij komt dat beide partijen elkaar in bestuurlijke coalities nodig zullen hebben om niet aan seculiere meerder­heden van liberalen en sociaaldemocraten te zijn overgeleverd.

Zo’n bondgenootschap kan in eerste instantie gericht zijn op voortzetting van de huidige samenwerking in gemeentelijke en provinciale colleges en wellicht ooit ook weer in het landsbestuur, en – wanneer dat profijtelijk is voor beide partijen – op electorale coöpe­ratie die verder gaat dan een lijstverbinding (zoals lijstineenschui­ving). Wanneer de samenwerking in dat stadium is aanbeland wordt het oppassen; vroe­gere fusies van CDA, GroenLinks en de ChristenUnie zijn immers ook be­gonnen met electorale samenwerking.

Groningen, maart 2013

Voor meer achtergrondinformatie zie:

Deze bijdrage verscheen in 'De Hofvijver' nr. 28 d.d. 25 maart 2013.