Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

If you can’t stand the heat, stay out of the kitchen?

Wytze van der Woude, universitair docent staatsrecht aan de Universiteit van Maastricht

Feitelijk is er op 30 april maar één moment dat daadwerkelijk van staatsrechtelijk belang is. Dat is het moment ergens in de periode tussen 10.00 en 10.30 uur die volgens de Rijksvoorlichtingsdienst is ingeboekt voor het tekenen van de Akte van Abdicatie door koningin Beatrix. Vanaf dat moment is Willem-Alexander koning. Zo simpel is het. Als een regerende vorst overlijdt of abdiceert gaat het koningschap automatisch over op de eerstvolgende in lijn van de troonopvolging. Het voert wat ver om te stellen dat de beëdiging en de inhuldiging die daarop volgt, louter voor de bühne zouden zijn, maar de plechtigheden en festiviteiten die op 30 april na 10.30 uur plaatsvinden zijn eerder declaratoir (dat wil zeggen: nogmaals in het openbaar bevestigend van wat reeds op grond van de Akte van Abdicatie een juridisch feit geworden is) dan constitutief (dat wil zeggen: het daadwerkelijk in het leven roepen van een juridisch feit) van aard. Dat blijkt ook wel uit de eerste woorden van het grondwetsartikel dat de inhuldiging regelt, waar het spreekt van inhuldiging “nadat de koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen” (art. 32 Grondwet). Willem-Alexander wordt dus ook niet gekroond als koning (wie zou daartoe überhaupt bevoegd zijn?). Zijn koningschap wordt slechts officieel luister bijgezet.

Inhuldiging en beëdiging zijn via art. 32 Grondwet dus wel verplicht, maar het niet nakomen van die verplichting kent niet de sanctie dat het koningschap ‘anders niet doorgaat’. Er is eigenlijk sowieso geen sanctie voor een koning die zich niet laat beëdigen. De koning is immers onschendbaar op grond van art. 42 Grondwet. Dat wil – wederom – niet zeggen dat Willem-Alexander niet verplicht is zich te laten inhuldigen, maar wel dat niemand hem er juridisch op kan aanspreken als hij dat zou nalaten.

Nu is er geen sprake van het niet-deelnemen aan de inhuldiging door onze nieuwe vorst, integendeel. Wel heeft een aantal Kamerleden aangegeven in zoverre niet aan deze beëdiging mee te willen doen, door te weigeren de eed van trouw af te leggen. De argumentatie die sommige Kamerleden hiervoor geven, is van politiek-pragmatische aard; zij hebben bij hun eigen beëdiging al trouw beloofd aan de koning (ongeacht welke koning dat precies is) waardoor bevestiging daarvan overbodig is. Erg principieel is deze argumentatie niet, omdat immers de vraag kan worden gesteld welke moeite het eigenlijk is deze eed te herhalen nu zij dat toch al een keer gedaan hebben.

Dat is ergens jammer, want een principiële discussie zou hierover best gevoerd mogen worden. Het doet inderdaad wel erg negentiende-eeuws aan om van door het volk gekozen volksvertegenwoordigers te eisen dat zij überhaupt een eed van trouw afleggen aan iemand die onderdeel is van een andere branch of government, of dit nu bij aanvaarding van hun eigen ambt is of bij een inhuldiging als die van 30 april. Er wordt van Kamerleden toch ook niet gevraagd een eed van trouw af te leggen aan de rechtelijke macht? Dat gezegd hebbend, is er naast genoemde politiek-pragmatische en principiële argumentaties ook een betrekkelijk doorslaggevend juridisch aspect. Het afleggen van deze eden is namelijk een juridische verplichting die voortvloeit uit de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal respectievelijk de Rijkswet beëdiging en inhuldiging van de koning (beide uit 1992). Misschien verklaart dat waarom de opstelling van de betreffende Kamerleden zo weinig principieel is. Zij weten natuurlijk ook wel dat het dan in de rede had gelegen dat zij op voorhand een initiatiefwetsvoorstel hadden moeten indienen om deze wetten te wijzigen. Kort en goed: de vergadering op 30 april mag een hoog ceremonieel karakter hebben, Kamerleden hebben er zelf, op zijn minst impliciet, mee ingestemd dat deze volgens het bestaande wettelijke stramien verloopt.

Gelukkig voor deze bezwaarde Kamerleden is er een achterdeur. De inhuldiging vindt namelijk plaats in een officiële (verenigde) vergadering van de Staten-Generaal en een Kamerlid is zodanig vrij in de vervulling van zijn ambt dat hij niet kan worden gedwongen bij vergaderingen van de Staten-Generaal aanwezig te zijn. Het is overigens wel een beetje flauw dat zij deze achterdeur vervolgens niet vorstelijk achter zich dichtslaan, maar via een kiertje alsnog naar binnen willen kijken. Door niet deel te nemen aan de Verenigde Vergadering – ze tekenen simpelweg de presentielijst niet – maar wel in het publiek plaats te nemen, voorkomen ze dat ze geroepen worden de eed af te leggen, zonder uitgesloten te worden van de verdere festiviteiten. Dat die achterdeur op een kier blijft staan, is overigens niet aan henzelf te danken, maar aan de coulance van degene die over de uitnodigingen gaat. Zoals bekend is het aantal publieksplaatsen in de Nieuwe Kerk beperkt en vindt een selectie plaats van diegenen die de plechtigheid mogen bijwonen. Formeel zullen deze uitnodigingen worden verstuurd door de voorzitter van de Verenigde Vergadering (i.e. de voorzitter van de Eerste Kamer), maar ik stel mij zo voor dat daarbij ernstig rekening wordt gehouden met de voor- en afkeuren van de nieuwe vorst. Als hij inderdaad heeft ingestemd met het uitnodigen van de bezwaarde Kamerleden, zou dat een werkelijk royaal gebaar zijn.