Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Een parlement met tanden

Jan de Wit, Tweede Kamerlid SP

De ene parlementaire enquête is nog niet afgelopen of de volgende is alweer van start gegaan. Onlangs, op 16 april 2013, besloot de Tweede Kamer namelijk tot het houden van een enquête over de woningcorporaties.

Gedurende de afgelopen drie jaren heb ik mij beziggehouden met de parlementaire onderzoeken naar de kredietcrisis en de zogeheten miljardenmaatregelen van de Nederlandse regering ten behoeve van de banken in de periode van grofweg september 2008 tot februari 2009. Ik mocht de voorzitter zijn van beide onderzoekscommissies.

Het onderzoek naar de miljardenmaatregelen was een parlementaire enquête. Het was de negende naoorlogse enquête en de eerste sinds de wijziging van de Wet op de parlementaire enquête (Wpe) in 2008.

Een van de grootste problemen waar onze enquêtecommissie gedurende het onderzoek tegenaan liep, was de geheimhoudingsbepalingen zoals vastgelegd in het Europees recht en de Wet financieel toezicht. Op grond hiervan is alle informatie die banken verstrekken aan De Nederlandsche Bank (DNB) en de minister van Financiën geheim. Met die geheimhoudingsverplichting kreeg onze commissie meteen te maken.

De kracht van een parlementaire enquête zit hem vooral in de openbaarheid. Doel is immers waarheidsvinding en het in het openbaar doen afleggen van verantwoording door de verantwoordelijke (bewinds)personen en instanties. Als een enquêtecommissie geen informatie krijgt of als alle informatie geheim of vertrouwelijk moet blijven ben je echter snel uitgepraat. Dan kun je geen onderzoek doen.

Onze commissie stelde zich op het standpunt dat in principe alles openbaar is. En dus hadden  we een geschil met de minister en DNB. Dit liep zo hoog op dat de minister besloot voorlichting te vragen aan de Raad van State over die geheimhoudingsverplichting. De Raad van State kwam in zijn voorlichting tot de conclusie dat alle partijen moesten zoeken naar een “benadering” die zoveel mogelijk recht doet aan de geheimhoudingsverplichting enerzijds en anderzijds de controlerende taak van het parlement.

De enquêtecommissie heeft uiteindelijk vertrouwelijk inzage gekregen in alle toezichtsvertrouwelijke documenten. De grote kunst was vervolgens die geheime informatie te “witten” tijdens de openbare verhoren zodat ze vervolgens gebruikt kon worden in ons rapport. Dat is slechts voor een deel gelukt. En dat is jammer. De nieuwe enquêtecommissie doet er daarom goed aan heel kritisch te kijken naar de wijze van informatieverschaffing en niet te snel in te stemmen met het stempel van vertrouwelijkheid ervan.

Een tweede belangrijk probleem waar onze commissie mee te maken kreeg waren “de buitenlanders”. Grote delen van de te onderzoeken kwesties speelden zich af in het buitenland (België, IJsland, Luxemburg en de Verenigde Staten). De belangrijkste betrokkenen hadden wij graag als getuige in het openbaar verhoord. Zij weigerden echter te komen. Op grond van de Wpe konden wij hen daartoe ook niet dwingen. Omdat verwacht mag worden dat aan enquêtes in de toekomst steeds meer internationale aspecten zullen zitten, moet er een oplossing komen voor deze beperking in de Wpe. Er zullen snel internationale afspraken over gemaakt moeten worden.

Een enquêtecommissie wordt uiteindelijk afgerekend op de inhoud van haar rapport en in het bijzonder op de vraag of zij erin geslaagd is met unanieme aanbevelingen en conclusies te komen. Geen eenvoudige opgave, omdat zo’n commissie meestal bestaat uit Kamerleden van links tot rechts, met dienovereenkomstige opvattingen. Mijn commissies zijn daar – gelukkig - steeds in geslaagd.  Dat wens ik ook de nieuwe enquêtecommissie van harte toe.

Dit artikel verscheen in 'De Hofvijver' nr. 30 d.d. 27 mei 2013.