Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Voldoet de links/rechts-tegenstelling nog?

Democratische politiek is ondenkbaar zonder de termen 'links' en 'rechts'. Deze termen zijn belangrijke richtingaanwijzers in het politieke landschap. Maar zijn ze voldoende om het huidige politieke landschap te beschrijven? Simon Otjes (DNPP) verkent de sociaaleconomische opvattingen van kiezers.

Over het algemeen interpreteren we links en rechts in sociaaleconomische termen. Links wil een grote overheid, streeft naar een gelijkmatige inkomensverdeling en accepteert hoge belastingen omdat te realiseren; rechts wil een kleine overheid, accepteert inkomensverschillen omdat deze prestaties belonen en wil juist een grote rol voor de vrije markt.

In de hoofden van politici, politicologen, beleidsmakers en opiniemakers zijn deze twee ankerpunten zo helder, dat we vaak niet eens onderzoeken of deze aannames wel kloppen. In een recent onderzoek vond ik het volgende: de mening van burgers over sociaaleconomische onderwerpen kan niet worden samengevat in een simpele links/rechts-lijn.

Er lijken eigenlijk twee dimensies te zijn in het sociaaleconomische landschap. Ten eerste, een tegenstelling tussen mensen die economische gelijkheid willen en mensen die economische ongelijkheden accepteren. Is het streven van Den Uyl naar een rechtvaardige spreiding van arbeid, inkomen en macht een goed idee of juist niet? Ten tweede, een tegenstelling tussen mensen die willen dat de overheid ingrijpt in de economie en mensen die denken dat overheid maar beter niet kan ingrijpen. Zijn mensen voor of tegen een terugtredende overheid?

Deze twee dimensies zijn, in tegenstelling tot wat we zouden verwachten, empirisch niet in het geheel niet aan elkaar gerelateerd. Zo ontstaan er grofweg vier mogelijke posities. Mensen die een sterke overheid willen en inkomensherverdeling. Dit is de positie die we over het algemeen links noemen. Mensen die geen sterke overheid willen en geen inkomensverdeling. Dit is de rechtse positie. Maar er zijn ook mensen die wel een gelijkmatige inkomensverdeling willen, maar geen sterke overheid. Dit is een paradoxale positie: want hoe kunnen we een gelijkmatige inkomensverdeling bereiken zonder overheidsingrijpen? Ten slotte zijn er ook mensen die geen gelijkmatige inkomensverdeling willen, maar ook niet willen dat de overheid zich meer terugtreedt uit het economische leven. Dat zijn mensen die de status-quo wel goed vinden. Met name de eerste drie groepen zijn substantieel.

Ik zie u denken: maar wat maakt dit uit? Kiezers die in de vier mogelijke kwadranten staan verschillen bijvoorbeeld sterk in hun politieke voorkeur. Linkse kiezers stemmen vaak PvdA of SP. Rechtse kiezers hebben een voorkeur voor de VVD. Kiezers met de paradoxale 'wel gelijkheid, geen overheid'-positie hebben een voorkeur voor de PVV. Kiezers met een behoudende 'geen gelijkheid, wel overheid'-positie stemmen vaker D66. Het is dus niet zo dat deze verschillen triviaal zijn, ze hebben zeker een rol van betekenis, bijvoorbeeld bij politieke voorkeur.

Dat de partijen met de helderste linkse en rechtse profielen links en rechtse kiezers trekken is natuurlijk niets bijzonders. Dit model helpt ons vooral om PVV-kiezers te begrijpen. En wel om drie redenen:

  • ten eerste, hun paradoxale positie hangt mogelijk samen met hun eigen populistische perspectief. Populisme betekent dat je de elite wantrouwt en vindt dat het belang van de gewone man een centrale rol moet hebben in de politiek. Dit past goed bij het paradoxale profiel: deze kiezers wantrouwen de gevestigde elite en ze willen daarom niet dat overheid een grote rol op zich neemt in het maatschappelijk leven. Tegelijkertijd willen ze dat het belang van de gewone man gediend wordt, bijvoorbeeld door inkomensverschillen te verkleinen.
  • ten tweede, deze kiezers voelen zich niet vertegenwoordigd door de gevestigde politieke partijen die het politieke landschap opdelen in links en rechts, en daarmee geen ruimte bieden voor kiezers met een afwijkende mening. Dit kan politiek wantrouwen kweken. Deze niet-vertegenwoordigde kiezers kunnen zich daarom bij de PVV aansluiten.
  • ten derde, het sociaal-economische programma van de PVV heeft dezelfde paradoxen als hun eigen kiezers. De PVV wil lagere belastingen maar niet snijden in de verzorgingsstaat. In de laatste doorrekening van het CPB laat zien hoe de partij die paradox oplost: de PVV laat, zeker op lange termijn, het begrotingstekort oplopen. En dat is ook wel logisch: als je niet ingrijpend wil bezuinigen maar wel de belastingen wil verlagen dan is er maar één optie: geld lenen.  

Kortom: de termen links en rechts zijn dus onvoldoende om de diversiteit van de opvattingen van kiezers over sociaaleconomische opvattingen te dekken. Een grote groep kiezers heeft opvattingen die vanuit het perspectief van een simpele links/rechts-verdeling paradoxaal zijn: wel een gelijke verdeling van inkomen maar geen hogere belastingen. Zulke kiezers hebben een eigenlijk populistisch sociaaleconomisch profiel (pro-gewone man, anti-elite), dat niet aan sluit bij links of rechts. Ze passen zo eigenlijk prima bij een populistische partij, als de PVV, zeker omdat deze ook voor lagere belastingen en grote verzorgingsstaat is.   

Dit artikel verscheen in De Hofvijver nr. 34 d.d. 30 september 2013.