Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

200 jaar partijen in Nederland; van Kamerclubs naar campagnemachines

Simon Otjes, Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Rijksuniversiteit Groningen

Door een veranderende context,  zoals de uitbreiding van het kiesrecht en de ontzuiling, zijn politieke partijen veranderd van losse clubs van gelijkgezinde Kamerleden in professionele campagneorganisaties.

1813-1848: Geen partijen

De geschiedenis van partijvorming in Nederland loopt niet parallel aan de geschiedenis van het Koninkrijk. Sterker nog: de vorming van het Koninkrijk vormde een breuk in de geschiedenis van partijen.

Partijen hadden begin negentiende eeuw een slechte naam. Met partij werd toen trouwens niet gedoeld op intermediaire organisaties tussen burgers en elite, maar op wat wij een factie zouden noemen: een deel van de politieke elite dat er naar streeft macht te verkrijgen. In de tijd van de Republiek waren er grofweg twee partijen geweest: de regenten en de Orangisten.  De politieke strijd tussen deze twee groepen was fel geweest, waarbij lang niet altijd alleen gebruik gemaakt werd van rechtmatige middelen maar economische en fysieke dwang niet werden geschuwd.

De hoop was dat er met het Koninkrijk een eind zou komen aan de politieke verdeeldheid en de felle politieke strijd. Daarom schreef Van Hogendorp in zijn onafhankelijkheidsverklaring: 'Alle partijschap heeft opgehouden'. Partijen als intermediaire organisaties waren bovendien niet nodig: het kiesrecht was immers beperkt. Kamerleden waren lokale notabelen die verkozen werden door lokale notabelen 

1848-1918: Kamerclubs en Kiesverenigingen

Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw begonnen er politieke organisaties te ontstaan, zowel in het land als in de Kamer. Kamerleden opereerden in Kamerclubs. Dat waren losse verbanden van gelijkgezinden: er was een liberale Kamerclub en conservatieve Kamerclub. Ze werden niet gebonden door een programma: de Kamerclubs hadden vaak weer vleugels en vlerken.

De Tweede Kamerleden werden in de tweede helft van de negentiende eeuw direct verkozen in kiesdistricten. Zij waren verantwoordelijk voor hun eigen campagne, en  werden daarbij ondersteund door kiesverenigingen. Deze organiseerden de campagne in het district, voor zo ver daar echt sprake van was. Deze rudimentaire organisaties leidden tussen verkiezingen een slapend bestaan. Verschillende gelijkgezinde kiesverenigingen gingen langzamerhand een federatief verband vormen. Ook ontstond er een band tussen deze verbanden en de geestverwante kamerclub.

De functies die we aan partijen toeschrijven waren in de tijd van deze 'elitepartij' toebedeeld aan twee instellingen: Kamerclubs die Kamerleden met dezelfde opvattingen verenigden en kiesverenigingen die 'op de grond' campagne voerden.

1918-1980: Massapartijen

Voor deze zwakke organisatievorm kwam aan het eind van de negentiende eeuw een alternatief: de massapartij. Dit partijmodel kenmerkte zich door een strakke organisatie. Alle functies van partijen werden onder één bestuur verenigd. De fracties opereerden eensgezind. Maar ook in het land waren partijen sterk georganiseerd. Het samenbindend element was het partijprogramma, waarin de ideologische uitgangspunten van de partij verwoord werden. De massapartij is eigenlijk de eerste organisatie die voldoet aan de simpele definitie van een partij als organisatie die personen kandidaat stelt voor een parlement.

De eerste massapartij in Nederland was de Anti-Revolutionaire Partij van organisatorisch talent Abraham Kuyper. Aan het begin van de twintigste eeuw werd duidelijk, dat de massapartij een superieur organisatiemodel was boven de elitepartij: de sociaaldemocraten vormden de tweede massapartij. De katholieken volgde snel. De liberalen en Christelijk-historischen hebben het langst geprobeerd het elitepartijmodel te behouden

Door de invoering van het algemeen kiesrecht moesten partijen grote groepen kiezers aan zich gaan binden. Hierbij speelde de verzuiling een belangrijke rol: hierdoor waren partijen ingebed in een netwerk van maatschappelijke organisaties. De levens van burgers speelden zich grotendeels af binnen deze zuilen. Het was evident dat Gereformeerde kinderen naar een school met de bijbel gingen en dat hun ouders op de ARP stemden. Verzuiling stelde partijen in staat om een stabiel electoraat op te bouwen. Bovendien waren de partijen door hun banden met verzuilde kiezers en maatschappelijke organisaties  een belangrijke intermediair tussen kiezers en overheid.

1980-nu: Campagnepartijen

De massapartij was tussen ongeveer 1918 en 1980 dominant, maar aan het eind van de twintigste eeuw bleek dat ook zij haar langste tijd gehad had. Politicologen ontwikkelden nieuwe partijtypes om de veranderingen in partijen te begrijpen en te benoemen. De belangrijkste ontwikkeling die de massapartij aan het wankelen bracht was de ontzuiling: trouwe kiezers zijn er nauwelijks meer. Elke verkiezing draait om het aantrekken van zwevende kiezers.

Dat betekent dat de campagne centraal komt te staan voor partijen. Voor hun voortbestaan is het winnen van verkiezingen cruciaal. Hierdoor zijn verschillende aspecten van de massapartij verzwakt en worden andere versterkt: het partijprogramma verloor aan kracht, maar de centrale organisatie werd sterker. Partijen begonnen hun programmatische en ideologische scherpte te verliezen: als catch-all partijen proberen zij zo veel mogelijk kiezers aan zich te binden. De meeste kiezers zitten in het midden van het politieke spectrum, dus richten partijen zich vooral hier op.

Voor een goede campagne is een professionele organisatie nodig. De partijen werden steeds sterker gecentraliseerd.  Campagnes zijn bovendien kostbaar. Nu de inkomsten uit contributies terugvallen vanwege de dalende ledentallen en banden met maatschappelijke organisaties losser worden, richten partijen zich op een nieuwe, stabiele inkomstenbron: de overheidssubsidies. Ten slotte nemen professionele campagnebureaus een steeds grotere rol in, zeker in verkiezingstijd.

Partijen zijn in de laatste anderhalve eeuw veranderde van organisaties die in de eerste gelijkgezinde Kamerleden verenigde naar organisaties die er primair op gericht zijn om kiezers te winnen. In de tweede helft van de negentiende eeuw waren het clubs van gelijkgezinden die een eigen (zwakke) lokale campagneorganisatie hadden. In de twintigste eeuw organiseerden de massapartijen een vaste kiezersschare die zij verbonden met een gedisciplineerde, eensgezinde fractie. In de eenentwintigste eeuw proberen campagnepartijen zwevende kiezers te binden.

Dit artikel verscheen in De Hofvijver nr. 36 d.d. 25 november 2013.