Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Geen ander Duitsland

Hanco Jürgens is fellow van het Montesquieu Instituut

Het grote nieuws van deze week is natuurlijk niet dat er een nieuw Duits kabinet beëdigd wordt. Dat dat kabinet eraan zat te komen wisten we eigenlijk al sinds de verkiezingsuitslag van 22 september. De SPD had tijd nodig om aan het idee te wennen en Merkel heeft ze de tijd gegund. Nee, het grote nieuws is dat de bankenunie aanstaande donderdag of vrijdag wordt afgetikt. Het een heeft zeker met het ander te maken. Europa moest wachten op het nieuwe Duitse kabinet. Veel blijft bij het oude, maar Hanco Jürgens ziet ook veranderingen in het Duitse EU-beleid, vooral daar waar wij het niet verwachten.

De totstandkoming van de bankenunie toont weer eens aan hoe groot de continuïteit van de Duitse politiek is. Duitsland is als geen ander in staat om lang te wachten tot anderen inschikken, om dan uiteindelijk zelf ook nog klein beetje water bij de wijn te doen. Dat patroon heeft zich eerder voorgedaan bij de Griekenlandcrisis. Toen deze eind 2009 om een oplossing schreeuwde werd er veel gesproken maar er gebeurde lange tijd hoegenaamd niets. Duitsland was niet bereid om zonder voorwaarden akkoord te gaan met een regeling. Eerst moest worden aangetoond dat Griekenland zelf de ernst van de situatie inzag en bereid was om te hervormen. Deze lean back strategy van Madam No, van Angela Merkel dus, bleek te werken. Merkel wachtte zelfs de voor haar zo belangrijke verkiezingen van de deelstaat Noordrijn-Westfalen af voordat ze over de brug kwam. Deze verkiezingen werden op 9 mei 2010 gehouden. Op 10 mei besloot de Europese Raad tot het eerste hulppakket voor Griekenland.

Daar waar het gaat om de bankenunie zien we een soortgelijke tred. In juni 2012 zette commissievoorzitter Barroso het voorstel op de agenda, nadat een eerdere poging om het te agenderen was mislukt. De lidstaten waren allen overtuigd van de noodzaak tot een Europese oplossing, maar Duitsland stelde een aantal voorwaarden, waardoor er lange tijd niets gebeurde. Duitsland vond dat alleen de grote banken onder het fonds moesten vallen, dat er een Europees agentschap moest komen dat buiten de Europese Commissie om besluiten kon nemen, en dat er geen sprake kon zijn van één Europees banken-reddingsfonds, maar wel van nationale compartimenten. Mocht alsnog worden besloten tot één gezamenlijk reddingsfonds, dan moet er eerst een nieuw Europees verdrag worden getekend, anders zouden de politici op de vingers worden getikt door het constitutionele hof in Karslruhe. Daar zaten de andere lidstaten niet op te wachten. Dit keer was Schäuble de Mister No die voet bij stuk hield tot vorige week eindelijk enkele oplossingen in zicht kwamen. De meest elegante oplossing is wel dat de reddingsfondsen nationaal blijven, maar dat over tien jaar de tussenschotjes er tussenuit vallen. De rechters van het constitutionele hof in Karlsruhe zullen erop staan dat er tegen die tijd inderdaad een nieuw Europees verdrag moet worden gesloten, maar daar ligt nu nog niemand wakker van. Dinsdag wordt het derde kabinet Merkel beëdigd en vrijdag hebben we dan eindelijk de bankenunie, meteen een eerste succesje voor de grote coalitie.

Zal er dan helemaal geen nieuwe Duitse koersverandering in het EU-beleid zijn? Het antwoord is tweeledig. Enerzijds was er al een koerswijziging gaande vòòr de verkiezingen. Duitsland heeft in juni van dit jaar als enige lidstaat honderd miljoen euro gereserveerd voor een investeringsfonds voor de Griekse middenstand. Dit is een uitzonderlijk besluit omdat Duitsland tot nu toe alleen bereid was in EU of Eurozone-verband maatregelen te nemen. De koerswijziging van het Duitse beleid is waarschijnlijk vooral te vinden in belangrijke details, die we snel geneigd zijn over het hoofd te zien, zoals in de Duitse energiepolitiek. Om de Duitse Energiewende niet verder te schaden heeft de vorige regering de Europese emissierechtenregeling om broeikasgassen tegen te gaan laten verslonzen. Al eind 2007 waren deze rechten niets meer waard, waardoor er geen enkele prikkel voor het bedrijfsleven was om milieumaatregelen te nemen. Dit jaar stelde de Europese Commissie nieuwe maatregelen voor die door Duitsland werden geboycot. Met de SPD in de regering zou hier wel eens verandering in kunnen komen. De SPD hecht veel meer waarde aan milieubeleid dan de FDP. Een ander belangrijk punt dat ook op ons af kan komen, en dan vooral na de verkiezingen van het Europees parlement, is dat van de Europese democratie. Zowel binnen de CDU als binnen de SPD leven ideeën over een direct gekozen commissievoorzitter, of over een tweekamerstelsel van Europees Parlement en Europese Raad, die de Europese Commissie gaan controleren. Merkel is nooit een groot voorstander van veranderingen geweest, maar in haar directe omgeving zijn die er wel. Het zijn niet de minsten, onder hen zijn ook Wolfgang Schäuble en Ursula von der Leyen. Tot slot zou het zo kunnen zijn dat de nieuwe Duitse regering op crisismomenten uiteindelijk sneller handelt dan voorheen. De SPD staat positiever tegenover ‘internationale solidariteit’ dan de FDP, die al snel de eigen plannen voor belastingverlaging in duigen zag vallen door de EU-crisispolitiek.

Nog één opmerkelijk punt wil ik u niet onthouden. Nog nooit was de Nederlandse taal zo goed vertegenwoordigd in de Europese hoofdsteden als nu. De Belgen spreken Nederlands. Dat wisten we al. Maar dat zowel de Britse vicepremier Nick Clegg als de Duitse chef van het Kanzleramt, Peter Altmaier, vloeiend Nederlands spreken mag uniek genoemd worden. Of het wat uitmaakt? Ik betwijfel het. Mogelijk versterkt het de beoogde brugfunctie van Nederland, of in ieder geval de Nederlandse taal, tussen Duitsland en Groot-Brittannië. Want dat Duitsland Groot-Brittanië erbij wil houden behoort tot de continuïteiten in beleid. En Altmaier en Clegg communiceren waarschijnlijk het gemakkelijkst met elkaar in het Nederlands.

Lees ook Hanco Jürgens' analyse van de Duitse verkiezingsuitslag

Deze bijdrage verscheen in 'De Hofvijver' nr. 37 d.d. 16 december 2013.