Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De staat van de lokale democratie

Wytze van der Woude is docent staatsrecht aan de Universiteit Maastricht

Volgens Maurice de Hond stevent Nederland af op de laagste opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen ooit. Onderzoek van Nieuwsuur wijst uit dat één op de drie raadsleden geconfronteerd wordt met aggressie en/of (bedreiging met) geweld, terwijl het platform raadslid.nu constateert dat ten aanzien van raadsleden juist weer te weinig aandacht wordt besteed aan het controleren van hun integriteit. Wie met kwade wil dergelijke punten aan elkaar zou willen verbinden kan hieruit het droevige beeld schetsen dat het grote groepen Nederlanders geen biet interesseert hoe een gemeente wordt bestuurd, dat diegenen die daarvoor niettemin hun vrije tijd opofferen lang niet allemaal zuiver op de graat zijn, maar dat zij het raadswerk op hun beurt  verrichten met gevaar voor lijf en leden.

Zo droevig kan het niet zijn en gelukkig is het dat ook niet. Ja, er is inderdaad een dalende trend waarneembaar bij de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen. Waar deze opkomst (landelijk bemeten) in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw nog schommelde rond de 70% zijn er sinds 1994 geen reguliere gemeenteraadsverkiezingen geweest waarbij het landelijke opkomstcijfer boven 60% uitkwam, met iets meer dan 54% als voorlopig dieptepunt in 2010. Aan de andere kant lijkt de daling de laatste decennia niet meer zo sterk als deze was in de jaren ’80. Bovendien is het de vraag in hoeverre de hoeveelheid mensen die een gang naar de stembus maakt überhaupt maatgevend is voor het belang dat mensen stellen in een goed functionerend decentraal bestuur. Linksom of rechtsom gebeurt alles wat iemand in Nederland onderneemt in een gemeente. Het zal de meeste mensen wellicht verbazen, maar over verreweg de meeste menselijke ondernemingen heeft die gemeente ook nog het één en ander te zeggen. Het feit dat mensen zich zo nu en dan opwinden over de zeldzame gevallen van niet-integer handelen door raadsleden bij de behartiging van de hen toevertrouwde belangen, kan in dat licht eerder worden gezien als een bevestiging van een interesse in het decentrale bestuur die wel degelijk bestaat. Als we daar vervolgens bij in ogenschouw nemen dat corruptie in Nederland, ook op decentraal niveau, uiteindelijk toch zeer zeldzaam is, hoeft somberheid als hierboven geschetst niet de boventoon te voeren.

Dat wil niet zeggen dat er geen vuiltje aan de lucht is. Van belang is namelijk wel om te markeren hoe belangrijk het kruispunt van wegen is, waarop gemeenten juist nu staan. In een eerdere Hofvijver heb ik stilgestaan bij het gegeven dat gemeenten de komende jaren een grote hoeveelheid extra taken erbij krijgen, die eerst werden uitgeoefend door het Rijk en de provincie. Gemeenten krijgen daarvoor extra geld, maar dat is minder dan het geld dat Rijk en provincie vroeger voor die taken tot hun beschikking hadden. Daarnaast leggen demografische verschijnselen zoals vergrijzing en bevolkingskrimp en financiële tegenvallers, zoals het moeten verdisconteren van gedaalde waarde van gemeentelijke bezittingen, een zware druk op gemeenten. Dat geldt niet in de laatste plaats voor die gemeenten waarvan de inwoners het toch al niet breed hadden. Zonder al te somber te willen zijn: deze (en andere) ontwikkelingen samengenomen, gaat het de komende jaren bij veel gemeenten waarschijnlijk niet om de vraag welke mooie voorzieningen er voor burgers bij komen, maar vooral over de vraag welke er zullen moeten worden opgeofferd.

Dit gegeven, alsmede de constante drang tot intergemeentelijke vergelijking (‘benchmarken’), zal in versterkte mate onderlinge verschillen tussen gemeenten aan het licht brengen waar het gaat om belastingdruk, sociale voorzieningen of onderhoud van de openbare ruimte. Deels is het een keuze van de nationale overheid om verschillen tussen gemeenten onderling te laten ontstaan. Anderzijds is het de vraag of een op gelijkheid ingesteld land als het onze klaar is voor een dergelijke mate van differentiatie. Wat daar ook van zij: het belang van het uitbrengen van een stem bij gemeenteraadsverkiezingen is wellicht zelden groter geweest.

Dit artikel verscheen in ‘De Hofvijver’ nr. 39, d.d. 24 februari 2014.