Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De constitutionele codificatie van politieke partijen: een noodzakelijke voorwaarde voor de democratische rechtstaat?

Fransje Molenaar is promovendus bij het Departement Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden.

Nederland is –met België, Ierland en Denemarken – één van de weinige landen in Europa die politieke partijen niet expliciet in de Grondwet noemen. Tegelijkertijd kan gesteld worden, dat politieke partijen vandaag de dag zo verankerd zijn in het politieke system, dat zij één van de basisinstituties van onze representatieve democratie genoemd kunnen of zelfs moeten worden.

Met het 200-jarig jubileum van de Grondwet aanstaande, rijst dan ook de vraag of het niet tijd is om politieke partijen (alsnog) op te nemen in onze Grondwet. Om tot een antwoord op deze vraag te komen, presenteer ik een overzicht van de wijze waarop andere landen de rol van partijen in hun grondwet vormgeven en de consequenties daarvan voor het functioneren van politieke partijen.

Zoals blijkt uit onderzoek van Van Biezen (Universiteit Leiden) over de wettelijke regulering van politieke partijen in Europa en uit eigen onderzoek naar dit reguleringsproces in Latijns Amerika, reflecteerde de vroegste constitutionele erkenning van partijen aan het begin van de 20e eeuw de wijze waarop die partijen de samenleving dienden. Te denken valt aan het noemen van politieke partijen in de definitie van mensenrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging.

De Grondwet wees burgers dan het recht toe om zich te verenigen in politieke partijen om hun belangen te behartigen. Een vroege uitzondering is Colombia, waar de grondwet in 1886 het bestaan van permanente politieke partijen verbood, omdat men vreesde dat de vorming van partijen ten koste zou gaan van het nationaal belang.

In de loop van de 20e eeuw werd het recht van politieke partijen om zich vrij te vormen en om te kunnen functioneren grondwettelijk geëxpliciteerd. Dit hield in, dat partijen genoemd werden als actoren die deze grondrechten – en bijkomende plichten – genoten. In veel gevallen betekende dit dat de vorming van politieke partijen gegarandeerd werd onder de vrijheid van meningsuiting en vereniging, maar dan wel onder bepaalde beperkende voorwaarden.

Gedurende de jaren ’40 weerspiegelden deze beperkende voorwaarden niet zelden de angst voor fascistische, communistische en/of gewelddadige partijen. Na de democratische transities die plaatsvonden in Zuid- en Oost-Europa en Latijns Amerika vanaf de jaren ’70, werd de aandacht meer naar binnen gericht. Partijen werd bijvoorbeeld opgelegd de interne gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen, alsmede te zorgen voor financiële transparantie en interne democratie. 

Een belangrijk gevolg van dergelijke beperkende voorwaarden in de grondwet is dat de rechterlijke macht steeds meer invloed krijgt over politieke partijen. Met de opkomst van supranationale instanties, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), kan deze invloed zelfs de landsgrenzen overstijgen. Een recent voorbeeld betreft de SGP, die door de Nederlandse Hoge Raad en het  EHRM ‘gedwongen’ werd vrouwen te accepteren op de kieslijst.

In Vlissingen is bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2014 voor het eerst een vrouwelijke SGP-kandidate verkiesbaar als lijsttrekker. Tegelijkertijd laat dit voorbeeld zien dat het blijkbaar niet noodzakelijk is om partijen in de grondwet op te nemen om toch invloed over partijen te bewerkstelligen, omdat de norm dat partijen bepaalde waarden dienen te respecteren (ook) verankerd is in andere teksten en juridische instrumenten.

Een tweede gevolg van het grondwettelijk vastleggen van de rechten en plichten van partijen is, dat op deze wijze een onderscheid gemaakt wordt of althans kan worden gemaakt tussen politieke partijen en andere vormen van politieke vereniging. In veel landen heeft dit geleid tot het creëren van een monopoliepositie voor politieke partijen; partijen gaan boven andere organisaties, als het gaat om deelname aan verkiezingen. In Nederland bestaat een dergelijk onderscheid feitelijk alleen in de toekenning van subsidies aan politieke verenigingen met meer dan 1.000 leden.

Het opnemen in de Grondwet van een dergelijke erkenning van politieke partijen als verenigingen met individuele leden zou gegeven de organisatie van de PVV in de hedendaagse Nederlandse politiek een hoogst controversiële beslissing zijn: de PVV heeft immers alleen Geert Wilders als individueel partijlid.

Samenvattend kan kortom gesteld worden, dat de politieke realiteit de leemte in de Nederlandse Grondwet wat betreft politieke partijen - goedschiks of kwaadschiks - al afdoende heeft weten te vullen.

Bibliografie

Molenaar, Fransje (Forthcoming). “Legitimising Political Party Representation: Party Law Development in Latin America.” International Political Science Review.

van Biezen, Ingrid. (2012). "Constitutionalizing Party Democracy: The Constitutive Codification of Political Parties in Post-War Europe." British Journal of Political Science 42, no. 01: 187-212.

van Biezen, Ingrid, and Fransje Molenaar. (2012). "The Europeanisation of Party Politics? Competing Regulatory Paradigms at the Supranational Level." West European Politics 35, no. 3: 632-56.

Dit artikel verscheen in 'De Hofvijver' nr. 40, d.d. 24 maart 2014.