Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Midden- en/of oppositiepartij?

Rien Fraanje is plaatsvervangend directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA 

Politieke partijen hebben hun vaste oriëntatiepunten verlaten en zoeken naar nieuw houvast. De wijze waarop D66 en het CDA zich in deze oppositiejaren positioneren is daar het overtuigende bewijs van. Beide partijen verschillen ideologisch als dag en nacht van elkaar. D66 staat voor pragmatisme en predikt de vrijheid van het individu; het CDA laat zich leiden door het christendemocratische gedachtegoed dat al meer dan honderd jaar stelt dat mensen juist tot bloei komen in relatie met anderen. Deze scherpe tegenstelling verhindert de beide partijen niet om elkaar te beconcurreren als het redelijke alternatief voor de huidige regeringspartijen VVD en PvdA. De partij die elke keer na het dragen van regeringsverantwoordelijkheid door de kiezer werd verlaten, doet dat door de weinig populaire regeringscoalitie via een officieuze gedoogconstructie aan een meerderheid in de Eerste Kamer te helpen, terwijl de partij die een lange bestuurlijke traditie heeft zichzelf neerzet als de enige échte oppositiepartij. Niets is meer wat het lijkt in de Nederlandse politiek. 

De wijze waarop D66 zich als middenpartij manifesteert roept een mengeling van bewondering en ergernis op. Bewondering omdat partijleider Alexander Pechtold vanaf de Kamerverkiezingen van 2006, toen de partij langs het randje van de afgrond gleed, erin is geslaagd een eigen en vernieuwd profiel op te bouwen. Hij begreep dat de voormalige kroonjuwelen van bestuurlijke vernieuwing de sociaal-liberalen onvoldoende bestaansrecht gaven. En dus manifesteerde hij D66 als onderwijspartij, onbezorgde pleitbezorger van de Europese Unie en de ware opponent van Geert Wilders. De ergernis komt voort uit de ongegeneerdheid waarmee Pechtold ook bloemen uit de tuin van het CDA plukte. Een week nadat Aart Jan de Geus eind oktober 2011 in een tussenrapportage van zijn Strategisch Beraad op het partijcongres voor het CDA het perspectief schetste als partij van het radicale midden, hield Pechtold voor partijgenoten een speech waarin hij voor D66 de zelfde positionering koos. Nog schaamtelozer was dat D66 zich in onze hoofdstad bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen profileerde als de partij voor het moderne stadsgezin. 

De eerlijkheid gebiedt daarbij natuurlijk wel vast te stellen dat het CDA met zijn strategie van gepolariseerde oppositie D66 ruimte geeft in het gat van het redelijke alternatief te stappen. Het is immers een lastig spanningsveld om tegelijk midden- én oppositiepartij te zijn. In de weg naar herstel is het voor de christen-democraten van belang niet alleen het onderscheid met de regeringspartijen te markeren en ook het eigen christendemocratische verhaal verder uit te werken. Dan komen eveneens als vanzelf de sterke verschillen met D66 weer bovendrijven. Het sociaal-liberale verhaal over bijvoorbeeld hun belangrijke thema's onderwijs en Europa wordt gevoed door een beperkte liberaal-economische agenda gericht op het creëren van welvaart. Het is niet voor niets dat D66 vooral geliefd is onder de bevoorrechte klasse van hoogopgeleide globaliseringswinnaars. Het CDA moet als partij van waarden laten zien dat onderwijs eerst en vooral de functie heeft democratische burgers te vormen die elk naar hun eigen talent kunnen bijdragen aan iets dat groter is dan zijzelf. De Europese Unie is eerst en vooral een waardengemeenschap van landen die in een onzekere en turbulente wereld de handen in één slaan om stabiliteit te creëren en invloed te verwerven. Dat grotere verhaal over de EU is nu actueler dan ooit. 

De laatste Europese verkiezingen hebben laten zien dat D66 vooralsnog meer kiezers achter zich wist te scharen, maar het CDA wist in tegenstelling tot D66 kiezers uit alle geledingen uit de samenleving aan zich te binden. Dat maakt je pas echt tot een middenpartij. 


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 27 oktober 2014.