Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

PvdA staat voor een dilemma

Dr. Bert van den Braak is als parlementair historicus verbonden aan het Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden.

Hoe de uitslag van de Statenverkiezingen en daarmee van die voor de Eerste Kamer uitpakt voor de PvdA valt nog te bezien, maar dat er een verlies aan zit te komen, lijkt zeker. Tijd voor zelfreflectie, waarbij twee vragen voorop staan: had het anders gekund en zo ja, hoe dan?

In alle landen van West- en Noord-Europa hebben sociaaldemocratische partijen het moeilijk. De PvdA vormt in dat opzicht geen uitzondering. In Zweden was de socialistische premier al na enkele maanden gedwongen het ontslag van zijn kabinet aan te bieden en daarna met steun van 'rechts' zijn kabinet te redden, de glans van de zege van de Franse president Hollande verdween razendsnel en in België werd het kabinet-Di Rupo opgevolgd door een centrumrechts/Vlaams nationalistisch bewind. Alleen in Italië lijken de sociaaldemocraten zich te handhaven, maar zij maken deel uit van een pluriform links blok en regeren samen met centrumrechts.

De opbouw en neergang van de verzorgingsstaat

Sociaaldemocraten bouwden in de naoorlogse periode (1945-1970), vaak samen met christendemocraten (en in Nederland ook met liberalen), de sociale welvaarts- en verzorgingsstaat op. Er kwam een uitgebreid stelsel van sociale voorzieningen, een sociaal minimum werd gegarandeerd en de staat hielp bij de opbouw van voorzieningen op gebied van zorg, volksgezondheid, welzijnswerk, onderwijs en cultuur. Vanaf de jaren tachtig kwamen voorzieningen onder druk te staan, deels door de oliecrises van 1973 en 1979 en het wegvloeien van arbeidsintensieve industrieën, deels door problemen met de financiering. In Nederland werd feitelijk vanaf het eerste kabinet-Lubbers in 1982 een permanent versoberingsprogramma doorgevoerd om daarmee de houdbaarheid op langere termijn zeker te stellen. De PvdA was vanaf 1989 geregeld mede verantwoordelijk voor die hervormingen. Het was niet voor niets dat vanaf die periode de SP ging groeien.

Was er een alternatief?

Dat proces was en is - zeker voor de PvdA - ook moeizaam en pijnlijk. En de financiële crisis van 2008 deed bovendien zowel de noodzaak als 'diepte' van de ingrepen nog toenemen. Geen regerende sociaaldemocratische partij ontkwam aan lastige keuzes. Nu geldt dat uiteraard in belangrijke mate ook voor andere partijen, maar zij worden - met uitzondering van de christendemocraten - nu eenmaal minder gezien als 'erflaters' van de georganiseerde solidariteit. De grootste - niet regerende - concurrenten suggereren vaak dat er 'gemakkelijker' oplossingen zijn om de toekomst van zorg, sociale zekerheid en solidariteit veilig te stellen. Op lokaal niveau blijken SP-wethouders inmiddels steeds meer aan te lopen tegen 'de werkelijkheid' van (te) dure voorzieningen en beperkte middelen.

Toen de PvdA in 2012 een coalitie aanging met de VVD was die 'werkelijkheid' bekend. Het regeerakkoord bevatte de noodzakelijke hervormingen en versoberingen die de afgelopen twee jaar zijn doorgevoerd. Ik kan me niet herinneren dat Paul Kalma, Jouke de Vries of Ruud Koole zich daar toen krachtig tegen hebben verzet. Dat er een alternatief was, en zo ja welk, heb ik toen niet vernomen. Het was er dan ook niet. Uiteraard heeft politiek leider Diederik Samsom toen in belangrijke mate de koers bepaald, maar zijn partij steunde hem daarin. Wel blijkt keer op keer, zoals tijdens Lubbers III en Balkenende IV, dat een eerder in de oppositie gevormd beeld bij de kiezers niet kan worden waargemaakt. 

Verwachtingsmanagement 

Het probleem voor de PvdA is, dat in de oppositie hoog moet worden ingezet vanwege de concurrentie van de SP, waarna bijna onvermijdelijk teleurstelling bij de achterban volgt omdat regeren tot pijnlijke keuzes dwingt. Beter verwachtingsmanagement is noodzakelijk. Want om nu nog aan de (eigen) kiezers te moeten uitleggen dat al die ingrepen toch echt nodig waren/zijn, is 'a hell of a job'. Zelfs algemeen goed aangeschreven bewindslieden als Martin van Rijn, Lodewijk Asscher en Jeroen Dijsselbloem lijken daarin niet te slagen. 

Het is echter te gemakkelijk om alles aan 'beeldvorming' te wijten. Misschien kunnen gedachten van twee voormalige leiders de PvdA helpen om tot herstel te komen. In 1963 formuleerde Joop den Uyl de heldere boodschap dat private rijkdom niet moet leiden tot publieke armoede. En in december 1995 kondigde Wim Kok een nieuw ondogmatisch programma aan, dat zich moest richten op het verbinden van het individu met de maatschappij. Hij deed dat in de bekende Den Uyl-lezing waarin hij sprak over het afschudden van de ideologische veren. Ten onrechte wordt vaak gesuggereerd dat het daarbij ging om een oproep. Kok constateerde juist dat een in 1987 begonnen ontwikkeling was voltooid en in zijn ogen bevrijdend had gewerkt voor de PvdA. Terecht constateerde Mark Chavannes in NRC Handelsblad dat alle middenpartijen (ook CDA, VVD en D66 en zelfs ChristenUnie en GroenLinks) toen in belangrijke mate 'management-partijen' zijn geworden. 

De PvdA kan zichzelf alleen weer op de kaart zetten door duidelijk te maken dat dit 'managen' gebeurt vanuit een sociaaldemocratische visie, waarbij solidariteit tussen hogere en lagere inkomensgroepen voorop staat. Alleen die solidariteit kan zorgen voor houdbare publieke voorzieningen. Maar het gaat daarbij om 'smalle marges'. Op dit moment is de PvdA niet in staat duidelijk te maken dat dankzij haar regeringsdeelname die smalle marges worden benut. Pas als ze daarin weer slaagt, bestaat er kans op herstel. In de oppositie lijkt dat gemakkelijker, maar als regeringspartij kun je het eerder waarmaken. Zie daar het dilemma.

Dit artikel is verschenen in de Hofvijver van 26 januari 2015.