Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De mate van democratie in kiesstelsels

Sacha Hardt, Montesquieu Instituut Maastricht, universitair docent vergelijkend staatsrecht Maastricht University

Welk kiesstelsel is het meest ‘democratisch’? En als er en belangenafweging moet plaatsvinden tussen een zo hoog mogelijk gehalte aan democratie en andere eisen die we aan ons kiesstelsel stellen – bijvoorbeeld dat het begrijpelijk moet zijn voor de gewone burger of dat het tot duidelijke en stabiele krachtsverhoudingen binnen het parlement moet leiden – welke maatstaven moeten we dan hanteren, en waar trekken we de lijn?

Het is een gemeenplaats dat er over deze vragen geen consensus is binnen Europa: wat men democratisch vindt, en hoe democratisch men het wil hebben, verschilt nogal per land. Dat verbaast ook niet, want immer is er een sterke wisselwerking tussen aan de ene kant het kiesstelsel waarvoor er in een land ooit is gekozen en aan de andere kant de politieke cultuur en het democratiebegrip van dat land. Daarom zouden de meeste Nederlanders het waarschijnlijk ondemocratisch vinden om over te gaan naar het Britse meerderheidsstelsel, ook al zou dat een einde maken aan onvoorspelbare coalities en versnippering binnen de kamer. Andersom stemde de Britse bevolking in 2011 met 67 procent tegen de invoering van het alternative vote stelsel, dat tot minder ‘verspilde’ stemmen en, naar verluid, tot ‘meer democratie’ zou hebben geleid.

Kiesdrempels

Een van de meest omstreden instrumenten die verkiezingsresultaten minder representatief en een kiesstelsel daarom – naar mening van velen – minder democratisch maken is de kiesdrempel. Een kiesdrempel is een minimumpercentage van stemmen die een partij moet halen om überhaupt voor representatie in het parlement in aanmerking te komen en die hoger ligt dan de ‘natuurlijke drempel’ van het aantal stemmen dat nodig is om één zetel te bemachtigen. Door middel van kiesdrempels proberen de kiesstelsels van tal van Europese landen om radicale partijen en kleine one issue parties buiten te houden en zo voor stabiliteit te zorgen en de coalitievorming makkelijker te maken. Kiesdrempels komen in veel landen voor die een stelsel van evenredige vertegenwoordigen hanteren, maar de hoogte van het obstakel verschilt nogal aanzienlijk. Zo geldt er bijvoorbeeld bij verkiezingen voor de Duitse Bundestag een drempel van vijf procent (óf drie gewonnen kieskringen), in Oostenrijk is hij met 4 procent iets lager, in Italië echter met 8 procent voor individuele partijen veel hoger (4,5 procent voor partijen in verkiezingscoalities). In Turkije moet een partij zelfs tien procent van de stemmen bemachtigen om het parlement in te trekken, hetgeen bij de aanstaande verkiezingen op 7 Juni een beslissende rol kan spelen als het erom gaat of de regeringspartij AKP voldoende zetels wint om de Turkse grondwet te wijzigen. In Nederland is de kiesdrempel het aantal stemmen dat een partij moet halen om een zetel te kunnen bezetten. 

Er bestaan geen formules of algemeen geldende maatstaven voor hoe hoog een kiesdrempel moet en mag zijn. Dat wordt ook duidelijk als men recente ontwikkelingen bekijkt: in Duitsland heeft het constitutionele hof afgelopen jaar de kiesdrempel voor Europese verkiezingen onconstitutioneel verklaard, met als reden dat het Europese Parlement een regering niet hoeft te steunen en een stabiele meerderheid daarom niet nodig is. 

Bonussen 

Tegengestelde ontwikkelingen zijn echter in België en Italië te zien: België heeft pas in 2011 een drempel van vijf procent ingevoerd (op kieskringniveau), in Italië heeft een nieuwe hervorming van het kiesstelsel een ‘omgekeerde kiesdrempel’ tot gevolg: als een partij meer dan 40 procent van de stemmen haalt krijgt zij nog een zogeheten ‘meerderheidsbonus’ erbij, dus extra zetels om voor een meerderheid te zorgen. Als geen partij 40 procent van de stemmen haalt vindt er een tweede verkiezingsronde plaats tussen de twee sterkste partijen. Een soortgelijk systeem bestaat ook in Griekenland, waar de sterkste partij 50 van de 300 parlementaire zetels als bonus krijgt.

We zien dus dat, ondanks alle kritiek, drempels en soortgelijke instrumenten die een kiesstelsel misschien minder democratisch maken maar ook in zekere zin ‘stroomlijnen’ onverminderd populair zijn. Toch zou een bredere debat over de hoogte van kiesdrempels en hun effect wenselijk zijn. De positieve effecten zijn niet te ontkennen: het Duitse parlementarisme is mede dank de Sperrklausel extreem stabiel, parlementaire crises zijn buitengewoon zeldzaam. Dat Italië dringend behoefte aan stabiele en duurzame meerderheden heeft is eveneens duidelijk. Maar hoe hoog mag de drempel zijn, hoe genereus de bonus? De verkiezingen in Turkije zullen laten zien of we het nog met een drempel te maken hebben of met een wegblokkade voor de democratie.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 1 juni 2015.