Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Interview met Jan-Kees Wiebenga

Mr. J.G.C. (Jan-Kees) Wiebenga

Jan-Kees Wiebenga, geëngageerde liberaal die na lid te zijn geweest van de Leidse gemeenteraad al heel jong burgemeester werd en daarna achtereenvolgens als lid van de Eerste (1977-1982) en Tweede Kamer (1982-1994) een voorname rol speelde in de politiek. Was in de Tweede Kamer voor de VVD woordvoerder binnenlandse zaken, justitie, asielbeleid en bij de behandeling van de Grondwetsherziening 1983. Bracht twee initiatiefwetten tot stand. Na zijn vertrek uit de Haagse politiek lid van het Europese Parlement en in 1999 lijsttrekker bij de Europese verkiezingen. Beminnelijke en scherpzinnige jurist. Is nu lid van de Raad van State.

Was de Tweede Kamer in uw tijd beter dan nu? Denk aan aandacht incidenten, stijl van het debat, organisatie, faciliteiten.

De Tweede Kamer was niet per se beter, maar wel duidelijk anders. Die verandering zit in de stijl van debatteren, maar ook in het toegenomen aantal fracties. In alle perioden zijn er goede en minder goede Kamerleden en in iedere periode is er een aantal beeldbepalende topfiguren.

Wat is naar uw oordeel de grootste verandering in vergelijking met de periode waarin uw Kamerlid was?

Een grote verandering is dat er nu een minderheidskabinet is, waardoor het kabinet meer moet onderhandelen om tot een meerderheid in beide Kamers te komen. Dat maakt de speelruimte, ook van de coalitiefracties, groter dan toen er hechte regeerakkoorden waren.

Verder lopen de contacten tussen kiezers en gekozenen heel anders door de mogelijkheden die ICT en de digitale media bieden.

Hoe waren in uw tijd de contacten met de kiezers en de regering? Is dat naar uw oordeel anders dan nu?

VVD-Kamerleden kregen een regio (Kamercentrale) toegewezen en voor Wiebenga waren dat de provincies Drenthe en Groningen. Dat betekende dat er soms lange dagen moesten worden gemaakt. Na een late bijeenkomst kon een volgende dag volgen waarin de Kamer weer vroeg met vergaderen begon.

De VVD was in de jaren 1982-1989 de kleinste regeringspartner in een tweepartijenkabinet (met het CDA) en moest dus bij de formatie zorgen dat er harde afspraken werden gemaakt. Die afspraken waren er vooral in het belang van de VVD.

Hoe waren de onderlinge verhoudingen?

De verhoudingen waren altijd goed, met als uitzondering die met het lid Janmaat. Kamerleden debatteerden doorgaans op een hoffelijke wijze met elkaar.

Wat ziet u in de periode dat u in de Kamer zat als hoogtepunt en wat als dieptepunt?

In de kwestie van de toekenning van de P.C. Hooft-prijs aan Hugo Brandt Corstius week zijn standpunt af van de meerderheid van zijn fractie en dat vond Wiebenga geen aangename positie.

In meer algemene zin was een tweede dieptepunt de ontwikkeling die de VVD in de jaren 1982 -1994 doormaakte. Na het succes bij de verkiezingen van september 1982 volgden nederlagen in 1986 en 1989, waardoor het zeteltal in de Tweede Kamer terugliep van zesendertig naar zevenentwintig in 1986 en daarna zakte tot tweeëntwintig in 1989.

Een hoogtepunt in zijn periode vond hij de waardige wijze waarop de Tweede Kamer debatteerde over de vrijlating van de Twee van Breda (de twee tot levenslang veroordeelde Duitse oorlogsmisdadigers) en over de kwestie van het pensioen van de weduwe van NSB-voorman Rost van Tonningen. Er was bij die kwesties ook geen sprake van fractiediscipline.

Als hoogtepunt in meer strategische zin ziet Wiebenga verder zijn deelname aan het Des Indesberaad tussen politici van PvdA, VVD en D66. Daarmee werd in 1994 de komst van een Paars kabinet mogelijk.