Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Recensie: Ruijs onderschat/overschat staatsman

Bert van den Braak, Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit van Leiden.

Is Charles Ruijs de Beerenbrouck, eerste katholieke minister-president, nu een onderschat of een overschat staatsman? Die vraag staat min of meer centraal in het proefschrift dat Frans Verhagen over deze Limburgse jonkheer schreef. Verhagen concludeert zelf dat Ruijs een begaafd en succesvol politicus was. Hij schoof, zo stelt de auteur, samen met De Geer in 1926 Colijn ter zijde als premier en opende daarmee de weg voor een hernieuwd premierschap van hemzelf in 1929. Verder bevorderde hij de eenheid onder de katholieken bij de vorming van hun partij. En in 1929 was Ruijs en niet Nolens de echte katholieke voorman. Er zou zelfs een doorlopende lijn zijn van Ruijs naar Lubbers in 1982.

In die conclusies zit op zich een kern van waarheid, maar Verhagen ondergraaft een deel ervan zelf en de kanttekeningen die hij maakt zijn ook nog eens terecht. Zo stelt hij dat het derde door Ruijs geleide kabinet (1929-1933) weinig gelukkig was en schrijft hij - eveneens terecht - dat Colijn veeleer de ergste vijand van zichzelf was. Colijns eerste kabinet strandde al na enkele maanden vooral door zijn eigen overmoed. 

En was het niet allereerst De Geer die in 1926 als 'intrigant' optrad en de terugkeer van Colijn verhinderde? En waren bij het bewaren van de katholieke eenheid de kerkelijke instituties en het episcopaat niet veel doorslaggevender factoren dan het optreden van Ruijs?

Een goed portret, met haken

Jammer is dat Verhagen relatief weinig aandacht besteedt aan het door Ruijs bekleedde ministerschap van Binnenlandse Zaken. Want al was in 1918 Onderwijs afgesplitst, dat ministerschap stelde best wel wat voor. En het was juist door de nogal wankelmoedige koers die Ruijs voer bij met name grondwetsherzieningen, dat Oud niet zo erg over hem te spreken was. Wetsvoorstellen werden door Ruijs nogal eens met een zekere tweeslachtigheid verdedigd, alsof hij er zelf niet geheel achter stond. Verhagen zet terecht vraagtekens bij Ruijs' optreden als minister van Binnenlandse Zaken, maar helemaal uit de verf komt die rol niet. Vraag is ook hoe die magere beoordeling zich verhoudt tot het algemeen zo positieve oordeel.

Verhagen schetst overigens wel een goed portret van Ruijs, de wat afgemeten, maar wel sociaal voelende edelman. Geen spreekvaardig man en geen groot leider, maar vooral een vroom en trouw dienaar van de katholieke zaak, met oog voor het belang van samenwerking. Eerder een primus inter paris, maar soms zelfs dat niet. Het premierschap uit de jaren van Interbellum vroeg ook niet veel anders. Eén van de weinige fouten (maar wel een wat vreemde) is de verkeerde naam van de minister van Waterstaat: niet Meyer, maar Reymer.

Niet overschat

De biografie geeft verder een goed beeld van het functioneren van de rechtse samenwerking tussen de beide wereldoorlogen. Persoonlijke tegenstellingen speelden daarin zeker een belangrijke rol. Maar ook die moeten niet overschat worden. Aalberse werd minister onder Ruijs en Colijn steunde in de Kamer diens derde kabinet. De terugkeer van Lambooy als minister van Oorlog, kort na het aantreden van het kabinet-De Geer, wordt door Verhagen geheel in het kader van de tegenstelling Ruijs-Nolens geplaatst. Eerder was het zo dat er gewoon niet zo veel geschikte (katholieke) kandidaten voor die post waren en dat terugkeer van een ervaren minister voor de hand lag. Anders gezegd: legt hij soms geen verbanden, die er niet zijn?

Ruijs de Beerenbrouck was door de belangrijke posities die hij bekleedde een bovengemiddeld politicus, maar geen Schaepman, Kuyper, Nolens of Colijn. Van de drie premiers in het Interbellum was hij zelfs de minst uitgesproken politicus. Niettemin is het uiteraard terecht en te waarderen dat Verhagen over hem een biografie heeft geschreven, maar na lezing ervan blijft toch de conclusie dat Ruijs niet overschat moet worden.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 30 november 2015.