Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Het educatieve effect van EU-referenda

Hans Vollaard is universitair docent Nederlandse en Europese politiek aan de Universiteit Leiden

Dit jaar is voor de tweede keer een referendum geweest over een EU-onderwerp. Voorstanders van referenda benadrukken dat burgers dankzij referenda politieke informatie opdoen. Daardoor zouden ze ook beter in staat zijn politiek actief te worden. Zeker gezien de gebrekkige kennis over de Europese Unie, zou wat meer educatie geen kwaad kunnen, of dat nu gebruikt wordt om de Europese Unie op te bouwen of effectief af te breken. Maar hebben de twee EU-referenda nu zo’n educatief effect gehad?

In de aanloop naar het referendum over het Europees Grondwettelijk Verdrag op 1 juni 2005 was er nog nooit zoveel discussie geweest over EU-kwesties in Nederland. In campagnes voor de Tweede Kamerverkiezingen had de EU immers nog nooit een rol van belang gespeeld, ook al besluit het parlement over de overdracht van soevereiniteit aan de EU. Op hun beurt domineerden in verkiezingen van het Europees Parlement vooral nationale thema’s. De opkomst bij Europese verkiezingen is nooit boven de 58,1% in 1979 geweest. Bij het referendum in 2005 kwam echter 63,3% van kiezers op. Hun algemeen oordeel over de EU bepaalde vaak hun stemkeuze. Niettemin bleek ook de referendumcampagne van invloed. Mensen wisselden van kamp. Bovendien hingen de uiteindelijke ja-stem en nee-stem vaak logisch samen met kernpunten van de Europese grondwet. Veel kiezers hadden dus een inhoudelijk keuze gemaakt.

Kennis van de EU niet toegenomen door referendum

Ondanks de vele aandacht en de hoge opkomst was met het referendum van 2005 de EU-kennis onder de Nederlandse bevolking niet toegenomen. Het politieke belang van de EU was ook niet gegroeid onder de kiezers. Het bleek in de Tweede Kamerverkiezingencampagne van 2006 niet aan te slaan. Pas met de euro-crisis is de EU meer gaan leven onder kiezers. In de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2012 was er ruim aandacht voor. Ook toen was de EU-kwestie voor kiezers echter niet of nauwelijks van invloed op hun partijkeuze. Als het referendum van 2005 al een educatief effect heeft gehad, is dat eerder te vinden op eliteniveau. Vooral partijen met een verdeelde achterban hanteren het EU-onderwerp sindsdien met grotere omzichtigheid.

Het is niet verwonderlijk dat er van al dat gedebatteer in 2005 weinig is blijven hangen. Kennis heeft een kapstok en vervolgens herhaling nodig. Op de middelbare school krijgen scholieren echter weinig mee over de EU. Dat is niet alleen mijn ervaring als docent Europese politiek op de universiteit. Een recente scriptie van Renate van Leeuwen toont bijvoorbeeld aan dat verwijzingen in maatschappijleerboeken naar iets met de EU van zo’n 3% (VMBO-niveau) tot 15% (HAVO-VWO-niveau) van de pagina’s beperkt is. Als daarbij (consumptie van) media-aandacht voor EU-onderwerpen beperkt is, beklijft kennis over de EU niet.

Meer referenda, meer kennis

Uit onderzoek blijkt dat ook in het algemeen een eenmalig referendum op de korte termijn weinig effect op politieke kennis. Een hogere frequentie van referenda over de langere termijn zou dat kunnen veranderen. Nadat regering en parlement geen behoefte hadden aan een referendum over de opvolger van de Europese Grondwet, het Verdrag van Lissabon, was daar evenwel geen mogelijkheid toe. De Wet Raadgevend Referendum bood echter burgers zelf de mogelijkheid om een referendum aan te vragen over een wet of verdrag. Na de Europese Beweging Nederland en Eurodusnie waren er nauwelijks maatschappelijke organisaties geweest die zich speciaal richtten op de EU. Ook dat is veranderd met de onder meer de komst van het Burgercomité-EU. Dat heeft het initiatief genomen om een referendum aan te vragen over het Associatieverdrag tussen de EU en de Oekraïne, pal nadat de Wet Raadgevend Referendum in werking trad op 1 juli 2015.

Het Burgercomité en vooral Geenstijl hebben vervolgens laten zien wat een succesvolle referendumaanvraag nodig heeft: flinke media-aandacht en het digitaal aanmaken van verzoeken. Ze hebben daarmee anderen laten zien hoe dat zou kunnen. In die zin heeft het referendum van 2016 al een educatieve functie gehad. De EU kwam uiteindelijk onder burgers maar beperkt in beeld. De regering en diverse partijen voerden niet of nauwelijks campagne. Media-aandacht bleef goeddeels beperkt tot de publieke tv-zenders en kranten als Trouw, NRC Handelsblad en De Volkskrant. Als trouwe Hart van Nederland-kijker was het onderwerp makkelijk te missen. Geen wonder dat al met al bijna 70% niet op kwam dagen bij het referendum. Niettemin lijken kiezers wel wat geleerd te hebben in de campagne. In ieder geval correspondeerden ja- en nee-stemmen redelijk logisch met inhoudelijke overwegingen en argumenten over Europese integratie in het algemeen en het Associatieverdrag in het bijzonder.

Als de huidige EU-kennis zou moeten blijven hangen, hoe beperkt ook, en ondanks de relatief beperkte groep van kiezers, dan moet er echter veel meer aandacht voor de EU blijven komen. Dat kan door meer aandacht in het onderwijs. ‘Life long learning’ in EU-kwesties kan vorm krijgen door die blijvend centraal te stellen in verkiezingen. Daarnaast zouden er veel vaker referenda over EU-onderwerpen moeten worden aangevraagd om enig educatief effect te sorteren. Wat dat betreft zijn de initiatieven om een referendum aan te vragen over handelsverdragen met de VS (TTIP) en Canada (CETA) welkom. Wellicht dat er dan nog eens een referendumcampagne komt waarbij kiezers zelf en commentatoren niet langer klagen over het gebrek aan kennis over het onderwerp.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 25 april 2016.