Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Staatsrechtgeleerden over de vertrouwensregel

Maarten Glorie, Montesquieu Instituut Den Haag

De vertrouwensregel, de premisse dat de regering kan rekenen op vertrouwen van het parlement, vormt de kern van het Nederlands parlementair stelsel. Toch is deze belangrijke regel niet opgenomen in welke wet dan ook. Staatsrechtgeleerden uit het heden en uit het verleden wijden er in hun standaardwerken allemaal een hoofdstuk aan.

Met de grondwetswijziging van 1848 steeg de grondwet behoorlijk in aanzien. De Grondwet werd beschouwd als een 'nationale kracht', of als een wet 'waarop al het andere rust' (Elzinga et al., 2014: 207). Deze gedachtegang kon maar moeilijk worden losgelaten: het staatsrecht in de negentiende eeuw bestudeerde vooral de Grondwet.

Inzet van politieke strijd

In de negentiende eeuw was de Grondwet dan ook inzet van grote politieke strijd: politici namen maar wat graag bepalingen op om sommige zaken in strijd met de Grondwet te verklaren. Ook werd alles wat niet in de Grondwet stond beschouwd als ‘ongrondwettig’. Het is in dat kader op z’n minst opmerkelijk te noemen dat de vertrouwensregel, de kern van het parlementaire stelsel, buiten de Grondwet wordt gehouden. Elzinga, De Lange en Hoogers redeneren in een moderne bewerking van Van der Pot dat het codificeren niet goed mogelijk is: per geval moet bekeken worden hoe de vertrouwensregel kan en moet worden toegepast (ibid.: 186). De staatscommissie-Donner bekeek in de jaren ’60 het opnemen van de vertrouwensregel in de Grondwet, maar kwam toen niet tot een eensluidende formulering.

De historische reden wordt misschien beter geformuleerd door Koopmans (1982): het parlementaire stelsel is niet nadrukkelijk bij wet ingevoerd, de vertrouwensregel dus ook niet (Koopmans, 1982: 90). De kern van het parlementaire stelsel, de vertrouwensregel, is er gekomen als consequentie van nieuwe regelgeving. In de grondwetswijziging van 1848 werden verschillende nieuwe rechten en mogelijkheden voor de Staten-Generaal ingevoerd, maar niet met als duidelijk gearticuleerd doel om een parlementair stelsel te vestigen (Elzinga et al., 2014: 144-145).

Geheele omkering

Dat het weliswaar een grote wijziging was, staat niet ter discussie. De grote staatsrechtgeleerde Buijs omschreef het als volgt: de gevolgen van invoering van de vertrouwensregel komen neer op “een geheele omkeering van de oorspronkelijke gedachte van de constitutionele monarchie” (Buijs, 1883: 370 e.v.).

De vertrouwensregel hebben we dus te danken aan een jarenlange praktijk en in het bijzonder aan enkele geruchtmakende incidenten uit de negentiende eeuw. Dat staatsrecht ook door traditie kan ontstaan, is duidelijk te zien aan de vertrouwensregel. In het geschreven recht is er niets geregeld, maar de regel wordt wel als juist beschouwd, vandaar dat deze regel toch onderdeel uitmaakt van het staatsrecht (Heringa et al., 2015: 13).

De vraag die nog overblijft is alleen: waarom is de regel dan zo belangrijk? Heringa komt hiervoor met een vrij logische samenvatting: de vertrouwensregel legt de macht bij het parlement. Een minister of een kabinet heeft weinig speelruimte meer als de Kamer het wantrouwen uitspreekt (Heringa et al., 2015: 194). Hoewel de vertrouwensregel en het parlementair stelsel geen doelen op zich waren van Thorbecke, zal dit toch wel de bedoeling zijn geweest in 1848. 

Verwijzingen

Buijs, J.T. (1883) De grondwet. Toelichting en kritiek. Arnhem: P. Gouda Quint.

Elzinga, D.J., Lange, R. de, Hoogers, H.G. (2014) Handboek van het Nederlandse staatsrecht. Deventer: Kluwer.

Heringa, A.W., Velde, J. van der, Verhey, L.F.M., Woude, W. van der (2015) Staatsrecht. Deventer: Wolters Kluwer.

Koopmans, T. (1982) Compendium van het staatsrecht. Deventer: Kluwer.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 30 mei 2016.