Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Ook Rutte is verantwoordelijk voor wet over referendum

De uitspraak van premier Rutte dat hij totaal (in drievoud) tegen een referendum is over multilatere overeenkomsten, is politiek interessant. Het ontslaat hem niet van zijn medeverantwoordelijkheid voor de wet die dat regelt.

Wetgeving komt overeenkomstig artikel 81 van de Grondwet tot stand in gezamenlijkheid van regering en Staten-Generaal. Wie daartoe het initiatief nam, kabinet of Tweede Kamerlid, is daarbij niet relevant. Ieder door de Staten-Generaal aangenomen wetsvoorstel, moet worden bekrachtigd door de (onder ministeriële verantwoordelijkheid vallende) Koning (artikel 87) .

Artikel 2.a4 van het Reglement van Orde bepaalt dat de ministerraad besluit over het wel of niet bekrachtigen. Dat reglement vordert verder eenheid van beleid. Het kan niet zo zijn, dat een minister zegt: ik heb ingestemd, maar eigenlijk was ik tegen. Wie als minister vindt dat bekrachtiging tot een 'rampzalige' wet leidt en voor die opvatting geen meerderheid in de ministerraad krijgt, moet kiezen: aftreden of daarvoor de verantwoordelijkheid nemen. Je kan dan niet naar 'collega's' of andere partijen als de eigenlijk verantwoordelijken wijzen.

Als de premier het echt zo'n slechte wet vindt, had hij zich sterk moeten maken voor het voorkomen daarvan. Tijdens de parlementaire behandeling had minister Plasterk zich daartegen dan moeten uitspreken. De minister zei bij de behandeling in de Eerste Kamer in april 2014 echter: 

"Om er geen cliffhanger van te maken begin ik met de conclusie. Dat is dat de regering neutraal adviseert over beide wetsvoorstellen, dus over dat over het correctief beslissend referendum en dat over het raadgevend referendum." Ook voor dat oordeel, was Rutte evenzeer verantwoordelijk.

De woorden van de premier: "I am totally against referenda", waren toen het kabinet over bekrachtiging sprak, blijkbaar nog niet aan de orde.