Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Parlementaire onderzoekscommissies in België

Carl Devos is hoogleraar politicologie aan de faculteit politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit Gent.

De Belgische grondwet geeft in art. 56 aan de federale Kamer ‘het recht van onderzoek’. Het bestaat al sinds 1830 en werd geregeld door een wet van 3 mei 1880, gewijzigd door de wet van 30 juni 1996. Op 23 oktober 1997 nam de Kamer een Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies aan, omdat er in die turbulente periode relatief veel commissies opgericht werden. Ook de deelstaatparlementen kunnen parlementaire onderzoekscommissies oprichten, met dezelfde bevoegdheden. Maar dat gebeurt heel uitzonderlijk. We concentreren ons hierna op de federale onderzoekscommissies, die een veel langere geschiedenis kennen en invloedrijker zijn.

In de eerste helft van de 20ste eeuw werden slechts zelden onderzoekscommissies opgericht. Dat gebeurde vaker vanaf 1980, door enkele schokkende gebeurtenissen. In de jaren 1970 was er slechts één (1972 over reclame op televisie), maar in de jaren 1980 ging het hard: in 1985 over het Heizeldrama, 1987 over wapenleveringen, 1988 fraude en overtreding van het non-proliferatieverdrag door het studiecentrum voor kernenergie en aanverwante bedrijven en in 1988 de eerste over de Bende van Nijvel. In de jaren 1990 werden er zelfs verschillende per jaar opgericht: in 1992 over mensenhandel, 1993 over wapenaankopen, 1996 één over sekten, over de verdwijningen van kinderen (Dutroux) en opnieuw over het onderzoek naar de Bende van Nijvel. In 1999 over de dioxinecrisis en over de moord op Lumumba. In 2002 over SABENA, 2008 over fiscale fraude en in 2009 over fortis. In 2016 ten slotte is een commissie aan de slag over de terreuraanslagen van 22 maart.

Bijzondere commissie

Na heel wat discussie werd onderzoek naar fiscale fraude n.a.v. de Panama Papers niet in een onderzoeks- maar in een bijzondere commissie behandeld. ‘Bijzondere commissies’ werden vanaf 2000 regelmatig opgericht, wat leidde tot minder onderzoekscommissies. Die bijzondere commissies behandelen grote en delicate opdrachten (bijv. belast met het onderzoek naar de financiële crisis of naar seksueel misbruik in een gezagsrelatie) maar hebben minder bevoegdheden dan een onderzoekscommissie, waardoor ze ook sneller opgericht kunnen worden. Ze kunnen in de loop van hun werkzaamheden nog omgevormd worden tot een onderzoekscommissie. Omdat ze ‘bijzonder’ zijn, dragen ze extra belang.

Onderzoekscommissies behoren tot de controletaak van het parlement. Zoals in veel andere landen is ook in België die functie voor het parlement belangrijker geworden dan wetgeving. Door het feitelijk monisme en de particratie, heeft het parlement de aansturing van die taak vooral aan de regering moeten laten. Maar ook bij de oprichting van parlementaire onderzoekscommissies is de wil van de regeringsmeerderheid beslissend.

Zo’n commissie komt er op voorstel van een of meer parlementsleden. Daarin beschrijven ze de opdracht zo nauwkeurig mogelijk, en dat voorstel wordt op dezelfde wijze behandeld als wetsvoorstellen: behandeling in commissie, mogelijkheid tot amendering, onderzoek en goedkeuring bij gewone meerderheid in plenaire vergadering. Er komt dus geen commissie tegen de wil van de (regerings)meerderheid in.

Reikwijdte

Soms is de maatschappelijke druk zo groot, zoals na de terreuraanslagen van 22 maart, dat politici geen andere keuze zien. Dan wordt er fors gediscussieerd over de opdracht, een sleutelelement bij elke commissie: wat mag ze precies onderzoeken, en wat niet (bijv. omdat er gelijktijdig ook gerechtelijke onderzoeken lopen en beide elkaar niet in de weg mogen lopen)? Wat zijn de specifieke onderzoeksopdrachten, kortom waarover mag het eindrapport zich buigen? Dat gaat meestal ook over politieke verantwoordelijkheden: welke ministers komen in beeld? Vaak probeert men de eigen ministers te beschermen, of er ook die van andere partijen bij te betrekken. Bij de onderzoekscommissie 22.3 werd daarom beslist dat die ook het veiligheidsbeleid van vorige federale regeringen (met socialistische ministers) zou onderzoeken en de huidige samenlevingsproblemen in Brussel (met socialistische ministers) zou onderzoeken. Op dit moment zitten de socialisten federaal in de oppositie, in Brussel in de meerderheid.

Ook de timing (de duur, die beperkt wordt) en de samenstelling zijn onderwerp van onderhandelingen, vaak ook met de oppositie. Men wil vermijden dat die de hele tijd de commissie contesteren, zodat een serene werking niet mogelijk is en de politiek een slechte beurt maakt bij de bevolking. De leden van de onderzoekscommissie (er is geen maximum- of minimumaantal bepaald) worden gekozen door en uit de plenaire vergadering. Dat gebeurt volgens de regel van de evenredige vertegenwoordiging, in verhouding tot de sterkte van elke fractie. Door de commissie beperkt te houden, kan men soms sommige partijen buiten of beperkt in aantal houden. Ook de aanwijzing van de voorzitter is onderwerp van stevig debat. Meestal omdat het om een vrij zichtbare en prestigieuze functie gaat.

Uitgebreide bevoegdheden

De commissie heeft dezelfde bevoegdheden als een onderzoeksrechter in een gerechtelijk onderzoek, onder andere getuigen oproepen en onder ede verhoren, getuigen met elkaar confronteren, documenten opvragen en in beslag laten nemen, huiszoekingen laten uitvoeren, plaatsbezoeken organiseren, enz. Voor sommige van deze onderzoeksdaden moet de commissie samenwerken met bevoegde magistraten, die onder leiding van de voorzitter van de commissie staan. De commissies kunnen ook beroep doen op de vaste comités P en I, de controleorganen die afhangen van het Parlement en toezicht uitoefenen op de politie- en inlichtingendiensten. Ze laten zich ook vaak bijstaan door ‘experts’, dat zijn veelal academici met een zekere reputatie en ervaring in onderzoek en beleid, of soms ook ervaren magistraten. Bij de terreurcommissie 22.3 was er een incident toen twee expert opstapten omdat leden zich te kritisch uitlieten over hun onafhankelijkheid.

De vergaderingen van de commissie zijn in principe openbaar, tenzij ze anders beslist, commissieleden zijn tot geheimhouding verplicht m.b.t. de informatie verkregen naar aanleiding van niet-openbare commissie- vergaderingen. De bevindingen worden door de rapporteur(s) neergeschreven in een openbaar verslag, dat ter bespreking aan de plenaire vergadering van de Kamer wordt voorgelegd. Die spreekt zich uit over de conclusies en aanbevelingen, en ev. ook politieke verantwoordelijkheden. Bedoeling zou zijn om het beleid en structuren in de toekomst te verbeteren.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 27 juni 2016.