Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De onvermijdelijke verkiezingsprogramma's

Gerrit Voerman, hoogleraar Nederlandse en Europese partijstelsel en di5recteur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) in Groningen

De Tweede Kamerverkiezingen zijn weer in aantocht en daarmee ook de programma's waarin de politieke partijen hun plannen voor de komende jaren ontvouwen. Deze programma’s zijn tegenwoordig veel langer dan vroeger. In het interbellum schommelde het gemiddelde aantal woorden van de partijen die bij de Tweede Kamerverkiezingen een of meer zetels hadden behaald zo rond de 1000. Na de Tweede Wereldoorlog steeg dat gemiddelde in eerste instantie langzaam: bij de Kamerverkiezingen in 1956 ging het om gemiddeld 3500 woorden; in 1967 om ruim 5000 woorden.[1]

Bij de daaropvolgende Kamerverkiezingen in 1971 vond echter een verdubbeling plaats: de programma’s telden toen gemiddeld 10.500 woorden. Tien jaar later was dat aantal zelfs meer dan verdubbeld: in de jaren 80 (met uitzondering van de verkiezingen van 1982, die zeer snel op die van 1981 volgden) hadden de partijen die in de Kamer zitting namen gemiddeld zo’n 25 à 26.000 woorden nodig om hun voornemens aan de kiezers voor te leggen. Het hoogtepunt tot nu toe lag in 1998 en 2010, met zo’n 27.000 woorden.

De (concept-)pro­gramma’s van de partijen die nu in de Tweede Kamer zijn vertegenwoordigd (inclusief de afsplit­singen als DENK, VNL en Vrijzinnige Partij) tellen gemiddeld bijna 23.000 woorden – een afname van ongeveer 15 procent. Uitschieter is in 2017 overigens D66 met zo’n 60.000 woorden, dat daarmee het langste programma heeft uit de parlementaire geschiedenis. De PVV heeft hoogstwaarschijnlijk het kortste programma ooit, met 252 woorden.

Figuur 1: Gemiddeld aantal woorden van de programma's voor de Tweede Kamerverkiezingen, 1946-2017

 
Gemidd. aantal woorden

Bron: Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP), Rijksuniversiteit Groningen

NB 1) Het betreft hier de partijen die na de verkiezingen in de Tweede Kamer zijn gekomen. Van de SGP en CPN ontbraken in de periode 1952-1971 een aantal programma's.

  • 2) 
    De vervroegde Tweede Kamerverkiezingen in 1972, 1982 en 2003 volgden binnen korte tijd (8-19 maanden) op de vorige verkiezingen. De kortere voorbereidingstijd heeft waarschijnlijk geleid tot minder omvangrijke programma's.
  • 3) 
    Voor 2017 is zo nodig gebruik gemaakt van conceptverkiezingsprogramma's.

Functies verkiezingsprogramma’s

Ondanks het lagere gemiddelde aantal woorden zijn ook dit jaar de programma's van de meeste partijen toch nog behoorlijk lang en gedetailleerd. Dat kan vaak ook moeilijk anders, gezien de belangrijke functies die de programma's voor partijen vervullen. De politicoloog Ruud Koole onderscheidt er drie. In de eerste plaats is het een richtsnoer voor de kandidaten van de partij. Aan aspirant-Kamerleden wordt bij de kandidaatstelling gevraagd of zij ermee kunnen instemmen; wanneer zij verkozen zijn is het program de basis voor hun opstelling in de Tweede Kamer.

Daarnaast vormt het – voor potentiële regeringspartijen – de inbreng in de kabinetsformatie. Het regeerakkoord is grotendeels gebaseerd op de verlangens die in de verkiezingsprogramma’s van de coalitiepartijen zijn neergelegd. Verder zijn de programma’s natuurlijk het medium waarmee de partij haar stand­punten en voornemens presenteert en kiezers mobiliseert. Kortom: voor de politieke plaatsbepaling van de partijen in parlement, regering en electoraat zijn de programma’s van groot belang.

Deze functies zijn natuurlijk niet nieuw; ook vroeger zochten de partijen met hun programma's de kiezer op en namen zij deze als vertrekpunt in coalitiebesprekingen. Toch waren de programma’s toen veel korter. Dat zij na de Tweede Wereldoorlog alsmaar langer en gedetailleerder werden, heeft dan ook niet direct met het mogelijk toegenomen belang ervan te maken. Andere factoren zijn meer relevant, zoals de toenemende overheidsbemoeienis met de samenleving, de opkomst van de zwevende kiezer, de toenemende politisering in de jaren 60 en 70, en de evolutie van politieke partijen.

Met de wederopbouw van het land in de jaren 50 en de komst van de welvaartstaat nam de overheidsinterventie toe, vooral op sociaaleconomisch terrein. Dat proces zette zich later voort. Door de uitdijende staatsbemoeienis zagen de partijen – die immers tot taak hebben het regeringsbeleid te controleren – zich genoodzaakt zich over de meest uiteenlopende aangelegenheden een oordeel te vormen. Verder moesten zij als gevolg van de op gang komende ontzuiling met elkaar de concurren­tiestrijd aangaan om de zwevende kiezer.

Eén middel om die te verleiden was vanzelfsprekend programma­tische profilering. Tegelijkertijd nam in de jaren 60 de politisering van allerhande maatschappelijke kwesties toe. Partijen moesten standpunten innemen over zaken die eerder niet in hun program voorkwamen – zoals het milieu of homoseksualiteit.

Komen en gaan van vraagstukken

Al deze ontwikkelingen droegen ertoe bij dat de verkiezingsprogramma's van de partijen steeds langer werden. Ze werden 'optelsommen van de wensen der verschillende belangen­groepen'; de zorgvuldige afweging van belangen door de partijen raakte in het gedrang, aldus de politicoloog De Bruyn. Hoewel in de jaren 90 van de vorige eeuw de roep om een terugtredende overheid sterk klonk en de politisering van allerlei maatschappelijke problemen op haar retour leek, leidde dat niet tot kortere programma's, zoals hierboven al aangegeven.

Terwijl er oude strijd­punten worden afgevoerd – wie herinnert zich nog de 'vermogensaanwasdeling'? – komen er altijd weer nieuwe vraagstukken bij. De voortschrijdende technologische ontwikkeling bijvoor­beeld zet steeds weer nieuwe punten op de politieke agenda. De aandacht in de programma’s voor immi­gratie en integratie nam de afgelopen vijftien jaar flink toe.

Naast deze relatief autonome maatschappelijke ontwikkelingen werden de lange verkiezingspro­gramma’s ook in de hand gewerkt door de professionalisering en interne democratisering van de politieke partijen, aldus Koole.

Vroeger werden de programma's opgesteld door een partijcommissie – in enkele gevallen, zoals de VVD in de jaren 50, zelfs alleen door de partijleider. De respons vanuit de partij was doorgaans beperkt. Langzamerhand raakte bij dit proces echter de hele partij betrokken. Het aantal partijcommissies, werkgroepen en neveninstellingen nam toe, en alle streefden zij ernaar hun desiderata in het program opgenomen te krijgen. Vanuit de achterban van de partij nam sinds de jaren 60 de bemoeienis met de opstelling van het verkie­zingsprogram eveneens toe. Het begon op de partijcongressen bij de behandeling van de programma's amendementen te regenen, hoewel de 'amendementencultuur' de afgelopen decennia weer wat is verminderd.

Al deze factoren hebben bijgedragen aan het uitdijen van de verkiezingsprogramma's en hun toegeno­men gedetailleerdheid. Ook al zijn de (concept-) programma’s momenteel wat minder lang dan voorheen, de meer dan 300.000 woorden die de partijen in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 in totaal hebben gebruikt, zullen voor vrijwel elke kiezer te veel zijn om kennis van te nemen. Geen wonder dat ze hun toevlucht nemen tot de Stemwijzer of het Kieskompas.


[1] Omdat niet altijd van alle in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen de programma’s konden worden achterhaald – met name voor de periode 1948-1963 met betrekking tot de CPN en de SGP – geven deze cijfers niet het precieze aantal woorden weer. De gemiddelden voor die periode moeten worden gezien als een indicatie. Niettemin is de trend duidelijk.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 28 november 2016.