Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Het pijnlijke proces van de selectie van kandidaten

Ruud Koole is hoogleraar politieke wetenschappen aan de Universiteit Leiden

Ton Elias heeft de handdoek in de ring gegooid. Hij legt zich neer bij het besluit van het hoofdbestuur van de VVD om hem niet meer op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer te plaatsen. Eerder had hij in een open brief aan dat bestuur zijn bedenkingen bij dit besluit geventileerd. Dat was natuurlijk een persoonlijke reactie, maar de brief laat ook enkele problemen zien die zich bij het opstellen van een kandidatenlijst kunnen voordoen, niet alleen in de VVD.

Elias noemt in zijn brief een gebrek aan inhoudelijke motivering: hij zou volgens het Hoofdbestuur zijn Kamerlidmaatschap weliswaar goed uitvoeren, maar ook ‘veel vijanden in de partij’ hebben; verdere motivering ontbrak volgens Elias. Daartegenover stelt Elias dat hij ‘duidelijk’ is, en: ‘Alleen wanneer we tegenspraak in onze eigen fractie organiseren, kunnen wij onze functie als volksvertegenwoordiger en controleur van de regering op goede wijze invullen.’

Elias noemt in zijn brief ook de zichtbaarheid in de media, die kennelijk een belangrijk onderdeel was bij de selectie van de VVD-kandidaten. Elias, die twee jaar als voorzitter van de ICT-commissie van de Tweede Kamer actief was, waarbij media-aandacht ‘niet automatisch volgt’ gedurende dat traject, is het hier fundamenteel mee oneens.

Keuzes

Het proces van de interne kandidaatstelling van politieke partijen is altijd een pijnlijk proces. Er zijn meer kandidaten dan er plaatsen zijn en er moeten dus keuzes worden gemaakt. Veel mensen bereiken de lijst niet, tot hun verdriet.

Partijen, die in de praktijk het monopolie op de selectie van kandidaten hebben, hebben in de loop der tijd een systeem ontwikkeld dat er grosso modo als volgt uitziet. Het partijbestuur stelt een selectiecommissie in. Die commissie maakt een eerste selectie op basis van ingezonden ‘sollicitaties’ en voert één of meerdere gesprekken met potentiële kandidaten. Gevoed door de zo verkregen informatie en vaak op basis van een door het partijbestuur opgestelde profielschets, stelt de selectie een advieslijst op. Het partijbestuur kan daarin nog veranderingen aanbrengen en stelt zo de conceptlijst op. Een partijcongres stelt uiteindelijk de definitieve kandidatenlijst vast.

Bij D66 gebeurt dat echter door middel van een elektronische stemming onder de partijleden. Dat leidde er deze keer toe dat er enkele verschuivingen plaatsvonden, maar de conceptlijst werd niet fundamenteel gewijzigd. Dat is eigenlijk altijd het geval. Begin jaren 1990 concludeerde Ron Hillebrand in zijn proefschrift over kandidaatstelling al dat de sturende kracht van de conceptlijst groot was, bij alle partijen.

Verantwoordelijkheid

Dat legt een grote verantwoordelijkheid bij het partijbestuur. Daar raakt de brief van Elias aan. Besluiten dienen natuurlijk goed gemotiveerd te worden. Onvolledige of onjuiste redenen waarom iemand een lage plaats op de lijst krijgt toebedeeld, kunnen leiden tot terechte verontwaardiging die dan ook doorgaans niet binnenskamers blijft. Partijbesturen laten hier nog wel eens steken vallen.

Redenen om goed functionerende Kamerleden toch niet op een verkiesbare plaats te zetten kunnen zijn dat er bij de verkiesbaar geachte plaatsen ruimte voor ontbrekende expertise moet worden gevonden of voor meer mensen met een bepaalde persoonlijke achtergrond (bijvoorbeeld qua leeftijd, geslacht, etnische achtergrond of regionale herkomst). Deze zogeheten demografische kenmerken zijn de laatste decennia steeds belangrijker geworden, maar zetten de zoektocht naar kwaliteit, die een kandidaatstellingsproces toch ook altijd moet zijn, onder druk. Daar komt het verlangen naar zichtbaarheid in de media nog eens bij. Iemand die niet vaak te zien is op TV, is echter niet per se een slecht Kamerlid.

Politieke partijen moeten niet alleen een zo sterk mogelijk fractie zien samen te stellen, zij zijn ook verantwoordelijk voor zorgvuldig personeelsbeleid. Kamerleden die niet voldoen, moeten natuurlijk niet opnieuw worden gekandideerd. Kamerleden die wel goed functioneren zouden de kans moeten krijgen zich ten minste tweemaal opnieuw te kandideren. De eerste periode is veelal een opbouwperiode, waarin men de fijne kneepjes van het Kamerlidmaatschap onder de knie moet krijgen. De twee periodes daarna kunnen zij als effectieve parlementariërs hun ambt vervullen.

Onzekerheid

Het probleem is evenwel dat partijen geconfronteerd worden met een zeer wisselend kiezersbestand, dat partijen onzeker maakt. Recente verkiezingen dwingen zo grote doorstroming af. Dat zou voor partijen een reden moeten zijn om spaarzaam om te gaan met de vernieuwing van fracties. Genoemde onzekerheid leidt echter nogal eens tot pogingen om fracties ‘aantrekkelijker’ te maken. Nieuw en fris! Of: bekend van de TV! Effectbejag op de korte termijn. Soms leidt dat ertoe dat goed functionerende Kamerleden niet verkiesbaar op een kandidatenlijst worden geplaatst, waardoor het doorstromingseffect nog eens wordt versterkt, ten koste van ervaring die voor een krachtig parlement evenzeer nodig is.

Natuurlijk, bij selectieprocessen zijn persoonlijke frustraties onontkoombaar. Zelfs wanneer partijbesturen die processen zeer zorgvuldig zouden vormgeven, dan nog zijn teleurstellingen niet te vermijden. Maar wanneer partijbesturen uit onzekerheid kiezen voor een selectiebeleid waarin expertise en parlementaire ervaring ondergeschikt worden gemaakt aan andere criteria, waarvan verondersteld wordt dat zij het partijbelang op korte termijn dienen, dreigen partijen het algemeen belang, maar ook het lange termijn partijbelang te ondermijnen. Daar had Elias een punt.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 28 november 2016.