Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Op de blaren zitten

vrijdag 22 december 2017, 9:08, analyse

De gemeenteraad van Brunssum heeft kort geleden een van zijn leden, mr. Jo Palmen, verkozen tot wethouder, voordat een integriteitsonderzoek naar hem had plaatsgehad. Tot zulk voorafgaand onderzoek heeft de raad zich in het verleden verplicht. De raad is met elf tegen tien stemmen bij zijn besluit gebleven, hoewel de burgemeester voortzetting van het wethouderschap van Palmen had ontraden. Dit, nadat een alsnog gehouden integriteitsonderzoek had geconcludeerd dat Palmen een hoog risico voor de integriteit van het gemeentebestuur belichaamde. Burgemeester Winants, deed, wat je dan als burgemeester met enig eergevoel het best kan doen: ontslag nemen.

Het besluit van de raad negeerde ook het advies van gouverneur Bovens om Palmen juist niet te handhaven. Het besluit keerde zich ten slotte tegen een dreigement uit Den Haag van de minister van Binnenlandse Zaken die (iets te flink?) had gezegd dat, als de raad niet zou handelen zoals hem was geraden door burgemeester en gouverneur zij alsnog zou handelen. Daarvan is vervolgens niets gebleken. De minister vertrouwt er op dat de waarnemend burgemeester, oud-minister Gerd Leers, de zaak op orde zal brengen.

Kan de minister, zo nodig, toch aan het wethouderschap van Palmen een einde maken? Zo ver ik kan zien, beschikt de minister daartoe in beginsel over twee mogelijkheden: vernietiging van het besluit tot verkiezing van de wethouder wegens strijd met het algemeen belang of gebruik van het grondwettelijk middel om de gemeenteraad tijdelijk zijn bevoegdheden te ontnemen wegens ‘grovelijk verwaarlozen van zijn taken’, zoals art. 132, lid 5 van de Grondwet zegt.

Om met het laatste te beginnen, terwijl de minister waarschijnlijk vooral behoefte heeft aan een vliegenmepper om een insect van de ruit te slaan, zou zij hier gebruik moeten maken van een voorhamer, maar daar verniel je heel wat meer mee dan alleen het hinderlijke insect. Daarbij komt, dat zulke ontneming van alle macht aan de raad alleen mogelijk is met behulp van een wet in formele zin, dus met advisering door de Raad van State en behandeling in Tweede en Eerste Kamer. En dat, om een gemeenteraad tot betere gedachten te brengen over een wethouderskeuze. Als er echter iets tot de ‘eigen huishouding’ van de gemeente behoort, zoals de Grondwet het in art. 124 uitdrukt, dan is het de keuze van de wethouders.

Zelfs het gebruik van de voorhamer kan worden overwogen, maar alleen als er zekerheid bestaat dat alle raadsleden in Nederland dan, als door de bliksem getroffen, beseffen dat zij de integriteit van het openbaar bestuur boven alles moeten stellen.

Dan blijft nog het probleem dat de onjuiste keuze van de raadsmeerderheid in Brunssum (onder negatie immers van de eigen voorgeschreven integriteitstoets) moeilijk kan worden omschreven als ‘grovelijk verwaarlozen van de taken’ van een gemeentebestuur. Er is bovendien niets onrechtmatigs aan: een integriteitstoets is een beleidsafspraak en daar kan dus, zo nodig, van worden afgeweken.

De iets subtielere ingreep zou kunnen bestaan in vernietiging door de Kroon van het besluit tot verkiezing van de wethouder. Een argument zou kunnen worden ontleend aan ‘strijd met het algemeen belang’ zoals geformuleerd in art. 132, lid 4 van de Grondwet.

Ook dit middel roept vragen op. Is bemoeienis met een wethoudersverkiezing niet principieel in strijd met de Grondwet, zoals hierboven al uiteengezet? Voorts, als het gaat om algemeen belang, moet het dan niet om meer gaan dan het algemeen belang van Brunssum om een ingreep te kunnen rechtvaardigen? Dat laatste wordt als een vereiste voor ingrijpen geformuleerd in het ‘Beleidskader schorsing en vernietiging’ 1) van het ministerie van BZK uit 2010. Er wordt, terecht, aan toegevoegd dat op de minister die een besluit wil vernietigen een zware motiveringsplicht rust. Ingrijpen in de besluiten van het gemeentebestuur moet noodzakelijk zijn om de goede constitutionele verhoudingen tussen de overheden te waarborgen, niet om onsmakelijke verschijnselen aan te pakken.

Kortom, de raad van Brunssum heeft in meerderheid waarschijnlijk een slecht besluit genomen en zichzelf met de verkiezing van Palmen geen dienst bewezen. Maar dat gebeurt met democratische besluiten wel vaker. Daarvoor geldt hier het aloude woord: ‘Wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten’. Het woord is aan de Brunssumse kiezer en wel op 21 maart 2018.


  • 1) 
    Beleidskader schorsing en vernietiging. Kamerstukken II, 09-07-2010. Met dank aan mr. G. Boogaard van de juridische faculteit in Leiden, die mij op dit document attendeerde.