Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De nieuwe voorzitter van de Eerste kamer

maandag 24 juni 2019, 13:00, Redactie Parlement.com

Nu de nieuwe Senaat is geïnstalleerd, zullen de Kamerleden uit hun midden een nieuwe voorzitter kiezen. Op 2 juli zullen de Senatoren via stemming hun voorkeur kenbaar maken. Dit artikel gaat in op de taken van het ambt van Eerste Kamervoorzitter, enkele historische achtergronden en wetenswaardigheden om inzicht te krijgen in het Kamervoorzitterschap.

Taken en bevoegdheden

De Kamervoorzitter heeft de leiding over de vergadering en is belast met de handhaving van de orde. Daartoe heeft de voorzitter een aantal middelen ter beschikking die in het Reglement van Orde van de Eerste Kamer - artikel 94 tot en met 96 - staan beschreven.

Kort samengevat heeft de voorzitter drie ordemaatregelen ter beschikking: de vermaning, het ontnemen van het woord en de uitsluiting van de vergadering. Een ander middel om de ordentelijkheid van debatten te bewaren is het feit dat Kamerleden, net als in de Tweede Kamer, via de voorzitter spreken. Zij debatteren nooit direct tegen elkaar maar altijd via de onpartijdige voorzitter.

Daarnaast is het de voorzitter van de Eerste Kamer die als voorzitter van de Verenigde Vergadering de commissie van in- en uitgeleide benoemt. Deze commissie is bij speciale gelegenheden, zoals de inhuldiging van een nieuwe koning, verantwoordelijk voor de verwelkoming en begeleiding bij binnenkomst en vertrek van hooggeplaatste gasten.

Verkiezing

Het voorzitterschap van zowel de Eerste als de Tweede Kamer wordt geregeld in artikel 61 van de Grondwet. Daarin staat vermeld dat de reglementen van orde de voornaamste regels omtrent het voorzitterschap van de Kamers bepalen.

Pas sinds de Grondwetsherziening van 1983 wordt de voorzitter van de Eerste Kamer rechtstreeks gekozen door de eigen leden. Tot die tijd was het gebruikelijk dat de Koning de voorzitter van de Eerste Kamer benoemde.

Deze regeling stamde uit 1815, het jaar waarin de Eerste Kamer op aandringen van voornamelijk edellieden uit de Zuidelijke Nederlanden werd opgericht. Ook bij de Grondwetsherziening van 1848 werd deze benoemingsregeling weliswaar formeel niet veranderd maar ook deze Koninklijke daad viel onder de minsiteriële verantwoordelijkheid.

De Kamervoorzitter wordt gekozen door de leden en wordt voor de gehele zittingsperiode van de Kamer benoemd. Meestal is een lid van de grootste fractie Voorzitter. In het verleden werd meestal voorkomen dat één partij het voorzitterschap van beide Kamers in handen had.

Lang niet altijd echter kwam de Eerste Kamervoorzitter uit de grootste fractie. Tot 2012 was het gebruikelijk dat eenzelfde partij niet zowel de Tweede als Eerste Kamervoorzitter leverde. In 1973 trad de PvdA'er De Niet terug, nadat daarvoor Vondeling tot Tweede Kamervoorzitter was gekozen. In 1991 volgde Tjeenk Willink (PvdA) Steenkamp (CDA) op, omdat sinds 1989 Deetman voorzitter van de Tweede Kamer was. Dat de VVD in 2012-2015 beide voorzitterschappen had, was nogal uitzonderlijk.

Profielschets

De Senaat heeft een profiel vastgesteld waar de nieuwe voorzitter aan moet voldoen. Daaruit komt naar voren dat de Eerste Kamer een geroutineerd en daadkrachtig voorzitter zoekt met parlementaire en bestuurlijke ervaring. De kandidaat moet kennis van het staatsrecht hebben, het Reglement van Orde adequaat kunnen toepassen en zich in meerdere talen verstaanbaar kunnen maken. Op persoonlijk vlak moet de nieuwe voorzitter samenbindend, gezaghebbend, relativerend en representatief zijn. De voorzitter van de Eerste Kamer wordt volgens de schets gevraagd 2,5 à 3 dagen beschikbaar te zijn voor de functie.

Profiel van oud-voorzitters

Hoewel voorzitter van de Eerste Kamer een belangrijke functie is, waren het nooit vooraanstaande politici die dat ambt bekleedden. In 1914 was er enige tijd sprake van dat Abraham Kuyper voorzitter zou worden, maar zijn doofheid verhinderde dat. Piet Steenkamp was weliswaar bekend, maar hij was dat vooral geworden als informateur in 1971 en als oprichter en eerste voorzitter van het CDA. Minister of Tweede Kamerlid was hij echter nooit.

Van de na 1945 aangetreden voorzitters had Piet Steenkamp echter wel de meeste ervaring. Hij zat op het moment dat hij voorzitter werd al ruim 18 jaar in de Senaat. Een voorganger, Jan Jonkman, was nog geen drie jaar lid.

De PvdA'er Herman Tjeenk Willink speelde als Eerste Kamervoorzitter een belangrijke rol in discussies over het functioneren van de Senaat, en kreeg daardoor bekendheid. Die discussies hingen mede samen met enkele (bijna) conflicten met de regering en met het optreden van de CDA-fractie onder leiding van Kaland. Het prestige dat Tjeenk Willink als Senaatsvoorzitter verwierf, was wel een belangrijke factor bij zijn benoeming tot vicepresident van de Raad van State.

Onder de Eerste Kamervoorzitters bevonden zich aanvankelijk veel edellieden, die tot het einde van de negentiende eeuw sterk vertegenwoordigd waren in de Senaat. De laatste van hen was baron De Vos van Steenwijk, die 17 jaar voorzitter was en die in 1946 op 87-jarige leeftijd afscheid nam. De Vos van Steenwijk was een belangrijke adviseur van koningin Wilhelmina en bovendien een grote 'fan' van de antirevolutionaire staatsman Colijn.

Veel Eerste Kamervoorzitters hadden een juridische achtergrond, maar in vergelijking met de Tweede Kamer zaten er veel niet-juristen op de voorzittersstoel. Tussen 1902 en 1929 waren hoge officieren Senaatsvoorzitter en in 1966 werd een ingenieur voorzitter. Sinds 2011 is er wel weer een jurist Kamervoorzitter, maar de nieuw te kiezen Kamervoorzitter hoeft niet per se die achtergrond te hebben.

Na 1945 zijn slechts drie oud-ministers Eerste Kamervoorzitter geweest: Jonkman (1951-1963), Korthals Altes (1997-2001) en Braks (2001-2003). René van der Linden was eerder staatssecretaris en geruime tijd Tweede Kamerlid. De Niet (PvdA) was vóór hij in 1969 Kamervoorzitter werd, fractievoorzitter. Dat gold ook voor de CDA'ers Braks en Timmerman-Buck. Zij was in 2003 tevens de eerste vrouwelijke Senaatsvoorzitter. VVD'er Fred de Graaf werd vooral bekend als burgemeester van Apeldoorn, maar was ook korte tijd fractievoorzitter.

Onder de Eerste Kamervoorzitters waren enkele (oud-)hoogleraren. Dat gold voor de Groningse staatsrechtgeleerde Kranenburg (1946-1951), de bouwkundige Mazure (1966-1969) en de economen Thurlings (1973-1983) en Steenkamp (1983-1991). Tjeenk Willink was enige tijd hoogleraar bestuurskunde in Tilburg geweest.

Historisch overzicht verkiezing van de Kamervoorzitter sinds 1983 (beslissende stemmingen)

jaar

gekozen

stemmen

overige kandidaten

stemmen

blanco

aantal stemrondes

2015

Broekers-Knol (VVD)

70

-

-

-

1

2013*

Broekers-Knol (VVD)

41

Franken (CDA)

30

-

3

2011

De Graaf (VVD)

73

-

-

1

1

2009*

Van der Linden (CDA)

65

-

-

3

1

2007

Timmerman-Buck (CDA)

71

-

-

2

1

2003

Timmerman-Buck (CDA)

37

Jurgens (PvdA)

34

3

2

2001*

Braks (CDA)

63

Boorsma (CDA)

1

5

1

1999*

Korthals Altes (VVD)

74

-

-

1

1

1997

Korthals Altes

55

Wiegel (VVD) en Heijne Makkreel (VVD)

2, resp.1

10

1

1995

Tjeenk Willink (PvdA)

71

Batenburg (AOV)

1

1

1

1991

Tjeenk Willink (PvdA)

64

Baarveld-Schlaman, Ermen, Van Ooijen (allen PvdA)

1

8

1

1987

Steenkamp (CDA)

73

-

2

2

1

1986

Steenkamp (CDA)

65

Feij (VVD)

1

3

1

1983

Steenkamp (CDA)

68

De Rijk (PvdA)

5

1

1

  • tussentijds