Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Met het water aan de lippen om meer water roepen

"Wat de overvloed aan informatie betreft: we zijn als drenkelingen in de Hofvijver die met het water al tot de lippen om meer water blijven roepen". Die uitspraak deed CDA-Tweede Kamerlid Sytze Faber op 8 juni 1983 tijdens een commissievergadering over documentatievoorziening in de rijksdienst. Toen bestonden social media nog niet en was de stroom aan informatie nog wat kleiner dan tegenwoordig. Niettemin zijn er Kamerleden, journalisten en waarschijnlijk ook anderen die nog meer informatie willen. Buiten ambtenaar Dorknoper in het verhaal 'De kwanten' ("Een bestaansvergunning! In vijffout nog wel!")1) kan ik me niemand voorstellen die er echt gelukkiger van wordt. Niet gebrek aan informatie is het probleem, maar de overvloed daaraan.

Uit de parlementaire zelfreflectie2) door de Tweede Kamer in 2009 kwam als één van de conclusies naar voren dat onze huidige samenleving zich in een spiraal van complexiteit en verwarring bevindt. Mensen verliezen het overzicht en worden onzeker, angstig, wantrouwig en uiteindelijk onbestuurbaar. Voor de Tweede Kamer geldt bovendien sterker dan voor andere organisaties dat het opgebouwde geheugen steeds weer in belangrijke mate verloren gaat. Nieuwkomers beginnen bij veel dossiers maar net boven nul.

Als dertig procent van de 'gewone' werknemers al moeite heeft om informatie te verwerken3), hoe zal dat dan voor Tweede Kamerleden zijn, die voortdurend ongefilterd nieuwe informatie tot zich moeten nemen; uit brieven en e-mails van burgers, beleidsdocumenten, gesprekken, opiniestukken, achtergrondverhalen, wetenschappelijke rapporten en berichten via de sociale media. Steeds zullen vragen opkomen als: is dit voor mij van belang, is het betrouwbaar en/of relevant, moet ik er wellicht verdere vragen over stellen? En dat bij tientallen dossiers.

Wie meent dat uit het drama rond de kinderopvangtoeslag gebrek aan informatie een belangrijke oorzaak was, trekt een wel heel eenzijdige conclusie. Zou er in 2012/2013 echt niet zijn gekozen voor keiharde aanpak van fraude (na de Bulgarenfraude) als toen uit een interne ambtelijke memo was gebleken dat een ambtenaar problemen voorzag? En konden Kamerleden, ook zonder memo's, later echt niet weten op welke wijze de fraudeaanpak bij de kinderopvangtoeslag geschiedde? Of hebben ze misschien allemaal over het begrip 'risicoselectiemodel' heen gelezen?4) (Als ze de rapportages van de Belastingdienst al lazen).

Recentelijk wees Arno Visser op de vele rapporten die de Algemene Rekenkamer tussen 2005 en 2019 uitbracht over de uitvoering door de Belastingdienst5). Lessen waarvan hij moest constateren dat ze niet waren opgepakt. Zijn bevinding was dat keer op keer blijkt dat het probleem vooral de overdaad aan informatie is en de ontbrekende capaciteit om goed te selecteren, duiden en verwerken. Dat was overigens niet alleen een bevinding van de Rekenkamer, maar kwam steevast uit de gehouden parlementaire enquêtes en onderzoeken naar voren. Lessen die moeten worden getrokken waren steeds: de verantwoordelijkheid was onduidelijk, de besluitvorming én invoering te overhaast, de ambities onrealistisch, de informatievoorziening niet op orde en waarschuwingen werden genegeerd. Te vrezen valt dat wijze lessen en signalen over ontsporingen verdwijnen in een overvloed aan informatie.

Uiteraard moet een kabinet voldoen aan zijn inlichtingenplicht, maar Kamerleden moeten niet zo zeer meer willen, maar vooral beter. Goede informatiespecialisten kunnen helpen bij het selecteren. En ja, dat betekent dat anderen keuzes maken. Maar dat is toch beter dan 'verdrinken'. Het inbouwen van momenten van reflectie op de uitvoeringspraktijk kan ook helpen. Tijdige gesprekken over problemen waarmee ontvangers van kinderopvangtoeslag te maken hadden, waren vast nuttiger geweest dan honderd ambtelijke memo's.