Van adviseur tot stagiair. Leden van het Koninklijk Huis in de Raad van State

maandag 6 december 2021, 8:30, analyse van mr. Careljan Rotteveel Mansveld

Hadden leden van het Koninklijk Huis – niet zijnde de Koning - in de 19e eeuw nog invloed op het beleid via het bijwonen van de vergaderingen van de Raad van State, dan is dat in de loop van de 20e eeuw helemaal verdwenen. Hadden zij aanvankelijk een adviserende stem en enige tijd zelfs stemrecht, in de 21e eeuw is het zitting hebben slechts bedoeld om zich voor te bereiden op het koningschap of regentschap.

Op 7 december wordt prinses Amalia 18 jaar. Niet alleen is in de Grondwet (artikel 33) bepaald dat zij dan ook daadwerkelijk het ‘koninklijke gezag’ kan uitoefenen, ook krijgt zij op 7 december 2021 ‘van rechtswege’ zitting in de Raad van State (artikel 74 lid 1 van de Grondwet).

De prinses laat er geen gras over groeien: al op 8 december zal zij de eerste vergadering van de Raad van State bijwonen en door haar vader worden ‘binnengeleid’, zoals de website van het Koninklijk Huis plechtig aankondigt in een nieuwsbericht. Willem-Alexander, die op 27 april 1985 zitting kreeg, woonde daarentegen pas op 3 juli 1985 zijn eerste vergadering van de Raad van State bij. Maar hij zat dan ook in het voorjaar 1985 midden in zijn eindexamen bij het "Atlantic College" in Wales.

De historische ontwikkeling van het ‘lidmaatschap’ van leden van het Koninklijk Huis in de Raad van State laat goed zien hoe het adviseurschap van met name de troonopvolger via een min of meer volledig lidmaatschap wijzigde in het zich als stagiair kunnen voorbereiden op zijn of haar taak als Koning(in), in modern en (goed?) Nederlands een ‘traineeship’ genoemd.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

De 19e eeuw

De Grondwet van 1814 (artikel 33)en 1815 (artikel 72) bepaalde dat de troonopvolger (sinds 1815 de Prins van Oranje) van rechtswege lid was van de Raad van State, maar pas zitting in de Raad nam bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd. Het stond de Koning vrij ook aan andere ‘Prinsen van den Huize’ zitting te geven in de Raad.

Zo verleende koning Willem I zijn tweede zoon prins Frederik in 1815 zitting in de Raad van State. Deze woonde wel de vergaderingen bij maar nam zelden aan de beraadslagingen mee. Wel adviseerde hij – bang voor onrust onder het volk – tegen de invoering van accijnzen op slacht en gemaal in het Zuiden.1

In 1848 (artikel 71) verviel het lidmaatschap van de Prins van Oranje: hij kreeg nu van rechtswege zitting in de Raad vanaf zijn 18e verjaardag met een raadgevende stem. Ook verviel de bepaling dat de Koning aan ‘Prinsen van den Huize’ zitting in de Raad kon verlenen. Dat werd pas in 1862 in de Wet op de Raad van State die de samenstelling en bevoegdheden van die Raad moest regelen, hersteld, met dien verstande dat zij alleen een raadgevende stem hadden.

De ‘raadgevende stem’ van de Prins van Oranje verdween in 1887 uit de Grondwet. De Grondwetgever vond dat alleen een adviserende stem ‘niet in overeenstemming (is) met den rang dien de oudste van 's Konings mannelijke nakomelingen, vermoedelijke erfgenaam der Kroon, in den Staat inneemt2’, waarmee de Prins van Oranje volledig stemrecht kreeg.

2.

De 20e eeuw

Toen in 1906 de Wet op de Raad van State in overeenstemming werd gebracht met de Grondwet, kregen andere prinsen van het Koninklijk Huis ook volledig stemrecht. De wetgever wilde daarmee bereiken dat de troonopvolger en andere prinsen van het Koninklijk Huis op dezelfde manier met volledig stemrecht in de Raad van State zitting hadden.3 Een en ander was mede ingegeven doordat koningin Wilhelmina haar echtgenoot prins Hendrik4 zitting had verleend in de Raad van State. Overigens wel opmerkelijk, omdat zij hem verder altijd buiten staatszaken hield.

Bij een Grondwetswijziging in 1922 kreeg niet alleen de Prins van Oranje zitting in de Raad maar ook de dochter des Konings, die de ‘vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon’. Daarmee kreeg de toenmalige kroonprinses Juliana vanaf haar 18e verjaardag (in 1927) zitting in de Raad van State. In de nieuwe wet op de Raad van State (Wet RvS) van 1962 bleef de situatie zoals die was: de troonopvolger kreeg van rechtswege zitting en de Koning kon andere prinsen en/of prinsessen zitting geven. De leden van het Koninklijk Huis in de Raad van State ‘kunnen aan de stemming deelnemen, een raadgevende stem uitbrengen, of zich van stemming onthouden’.5 In de praktijk onthielden zij zich - zo aanwezig - van stemming.

Ook in de Grondwet van 1983 (artikel 74) bleef de vermoedelijke troonopvolger van rechtswege zitting hebben in de Raad van State. De bevoegdheid van de Koning om andere leden van het Koninklijk Huis zitting te verlenen werd nu overgedragen aan de wetgever, die dat ‘bij of krachtens de wet’ kon doen.

3.

De 21e eeuw

In de in 2000 verschenen notitie over het koningschap zag de regering deelname van de troonopvolger aan de vergaderingen van de Raad van State vooral als voorbereiding op het koningschap. De kroonprins(es) had zo de gelegenheid ‘zich ook langs deze weg te oriënteren omtrent vraagstukken die van belang zijn voor onze samenleving.’6 De regering voegde daaraan toe:

 

In voorkomende gevallen is er ook voor andere leden van het Koninklijk Huis de mogelijkheid om bij de beraadslagingen van de Raad aanwezig te zijn en zo eveneens hun inzicht ten behoeve van hun betrokkenheid bij de uitoefening van de koninklijke functie te verdiepen. Hier valt vooral te denken aan de echtgenoot van de Koning en de echtgenoot van de vermoedelijke troonopvolger.

Zo kreeg in 2004 prinses Maxima, echtgenote van de kroonprins Willem Alexander, pas na de geboorte van prinses Amalia zitting in de Raad.

In het nieuwe artikel 1 uit 2010 van de Wet RvS werd uitdrukkelijk bepaald dat leden van het Koninklijk Huis die zitting hebben in de Raad zich onthouden van stemming, maar dat zij wel aan de beraadslagingen kunnen deelnemen. Dit sluit ook aan wat de regering over de troonopvolger in de Raad van State zei bij de Grondwetswijziging van 1983: ‘voor hem geldt a fortiori dat deelneming aan de werkzaamheden van de Raad van belang is met het oog op de toekomstige uitoefening van de koninklijke functie’7.

Zo werd de invloed van het Huis van Oranje in de Raad van State in de loop van twee eeuwen beperkt: het adviseurschap van de Prins van Oranje en ‘Prinsen van den Huize’ uit de 19e eeuw werd omgezet in een traineeship bij de Raad van State: voorbereiding op het koningschap. Van de mogelijkheid om ook andere leden van het Koninklijk Huis in de Raad zitting te verlenen is nagenoeg alleen gebruik gemaakt voor de echtgeno(o)t(es) van de vermoedelijke troonopvolger en van de Koning(in). Maar voor hen gold dat zij zich moesten voorbereiden op een mogelijk regentschap, zelfs prins Hendrik.8

Als het aan prinses Amalia ligt, is de voorbereiding van haar moeder op een regentschap nog steeds aan de orde. Zij kondigde in het onlangs verschenen boek ‘Amalia’ van Claudia de Breij aan dat, mocht zij binnenkort tot het koningschap geroepen worden, zij het liefst zag dat haar moeder dat als regent een aantal jaren zou waarnemen.9

Zie ook op de website van de Raad van State

 

Careljan Rotteveel Mansveld is betrokken bij de constitutionele projecten van het Montesquieu Instituut.

 

[1] Anton van der Sande, Prins Frederik der Nederlanden, 1797-1981, Nijmegen 2015, blz. 103

[2] TK 1884/85, 111 nr. 9

[3] TK 1906/07, 81 nr. 3

[4] Prins Henrik was bij wet van 26 januari 1901 genaturaliseerd tot Nederlander. Bij Koninklijk Besluit van 6 februari 1901 werd hem de titel Prins der Nederlanden verleend Ook de volgende prinsen-gemalen/prinses-gemalin Bernard, Claus en Maxima kregen zitting in de Raad van State. (www.parlement.com, geraadpleegd op 22 november 2021).

[5] Staatsblad, 1962, 88

[6] TK1999/2000, 27409 nr. 1, blz. 4

[7] TK1979/80, 16040 nr.3

[8] Prins Hendrik zat in de reservebank als regent voor het geval prinses Juliana tot het koningschap geroepen zou worden en dan nog geen 18 jaar zou zijn. Eerst kwam nog de koningin-moeder Emma als regentes voor prinses Juliana aan de beurt.

[9] Amalia: Ik ben geboren binnen een leven en dat heb ik geaccepteerd, Eric Brassem in Trouw, 16 november 2021, blz. 3. Dit zou met toepassing van (artikel 36) van de Grondwet kunnen.