Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Coalitieakkoord: uitvoerbaarheid, nieuwe bestuurscultuur en de rechter

Het coalitieakkoord van VVD, D66, CDA en ChristenUnie is gepresenteerd. Ik wil hier graag drie opmerkingen over drie onderwerpen die nog wat minder in het nieuws zijn gekomen in de discussies over het nieuwe coalitieakkoord onder de aandacht brengen.

Uitvoerbaarheid

Aangekondigd wordt beter te gaan letten op de uitvoerbaarheid van wetten. Maar hoe zit het met de uitvoerbaarheid van het akkoord zelf? Zijn de beloftes reëel of (deels) onuitvoerbaar? Inmiddels zijn we bijna een jaar na de verkiezingen; als alles ‘normaal’ loopt zijn er nog drie jaren te gaan voor het nieuwe kabinet om de plannen uit te voeren. Normaliter zet een kabinet het eerste jaar de plannen in de steigers om dan vanaf jaar twee met wetgeving die plannen te implementeren. In het vierde jaar wordt alweer vooruitgekeken naar verkiezingen en worden harde keuzes weer lastiger, waarna een demissionaire periode volgt.

Van die vier reguliere jaren is er inmiddels een jaar weg, en zijn er nog maar twee over om alle plannen echt vorm te geven. En als de grote miljarden investeringen ook maar iets tegenvallen omdat de rente stijgt of de inflatie doorgaat of de economie minder hard groeit, of de pandemie geld en aandacht blijft kosten, is de beloftenkant van grote investeringen die ook renderen meteen in gevaar. Dat geldt ook voor eventuele aanspraken van Nederland uit het EU-Coronaherstelfonds. Op aandringen van Nederland worden daar immers door de EU voorwaarden aan gekoppeld. En al vele jaren is de hypotheekrente aftrek een belangrijk element in kritiek en aanbevelingen van de EU. Daar wordt nu niet echt aan tegemoet gekomen zo lijkt het, zodat een aandeel uit de EU investeringspotten ook al lastig is.

Kortom, als de grote investeringsplannen al bedoeld zijn om of als effect zouden moeten hebben dat er vertrouwen wordt gekocht, is het gevaar niet ondenkbaar dat dat niet echt gaat lukken. En dan blijft het toch aankomen op de nieuwe bestuurscultuur, want is maar de vraag of de zo nodige investeringen in klimaat en zorg en onderwijs en huisvesting en toeslagen er echt kunnen gaan komen.

Nieuwe bestuurscultuur

Het unieke aan het akkoord is dat er aan het begin enkele opmerkingen worden gemaakt over constitutionele vernieuwingen: aangekondigd wordt een denken over een constitutioneel hof, over een hardheidsclausule in alle wetgeving en betere toegang tot het recht en het serieus nemen van juridische actoren die signalen afgeven over de ontoegankelijke overheid, zoals rechter en ombudsman. Verder zijn begrippen als dualisme met de Kamer en nieuwe bestuurscultuur een soort toverformules.

Dualisme betekent een meer eigenstandige positie van de kamer tegenover de regering. De oppositie gaat dat uitbuiten door hoge eisen te stellen met als gevolg dat de coalitiefracties die afwijzen, en beide partijen geïrriteerd kunnen zijn. Handen worden uitgestoken en afgewezen. Natuurlijk, waarom zou je anders een akkoord sluiten en daar maanden over onderhandelen? Wat is eigenlijk de ratio (anders dan de noodzaak voor meerderheden in de Eerste kamer) om de oppositie tegemoet te komen? Dan had de PvdA of GroenLinks maar moeten mee-onderhandelen. Meedoen is nu eenmaal effectiever dan niet meedoen. Is dat een rare bestuurscultuur of inherent aan het vormen van een coalitie? Waar wel te winnen zou zijn, niet zozeer over de hoofdlijnen en de grote keuzes, is op de invulling van de keuzes en de specifieke plannen die nu gemaakt moeten gaan worden.

De rechter

Daadkracht of de wil om te vernieuwen leidt vaak tot het bouwen van nieuwe structuren, zoals een constitutioneel hof. Probleem is dat het bouwen daarvan jaren gaat duren, als het er al komt. Begin als regering en als parlement eerst maar eens met de erkenning van ombudsman en rechters als tegenmachten en controleurs. En ga er bij voorbeeld toe over om de rechter uit te nodigen zich waar nodig uit te spreken over de kwaliteit en rechtmatigheid en grondwettigheid en verenigbaarheid met beginselen van wetgeving. Als de rechter die uitnodiging aanneemt kunnen we er tenminste meteen mee aan de slag en hoeven we niet op een mogelijk toekomstig constitutioneel hof te wachten, en kan de rechter de wetgever vanaf nu al op fouten attenderen en de wetgever vragen de fouten te herstellen. Roep de rechter daartoe op, neem hem daarin serieus en luister als deze kritiek hebben (en dat geldt ook voor anderen zoals de Raad van State en de Ombudsman in hun rapporten en adviezen) en je zult zien dat daarmee veel kan worden bereikt. Vooral als dat luisteren betekent dat er iets mee wordt gedaan. De nieuwe bestuurscultuur, wat dat dan ook moge zijn, geldt niet alleen voor de regering, de meerderheid in de tweede kamer, maar ook voor de wetgever en de oppositie.

 

Aalt Willem Heringa is hoogleraar vergelijkend staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Maastricht.