Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

'Nieuwe bestuurscultuur': wantrouwen en bevelen

Een vereiste van de ‘nieuwe bestuurscultuur’ waarover in Den Haag veel wordt gesproken, is dat de overheid meer moet handelen vanuit vertrouwen in burgers en instellingen en niet vanuit het wantrouwen dat in de laatste decennia gewoon was. Als dit klopt, dan geldt dat in elk geval niet voor de houding van de rijksoverheid tegenover de lokale democratie en haar vertegenwoordigers. Het regeerakkoord geeft van zulk vertrouwen althans geen enkel blijk.

Om te beginnen geeft het regeerakkoord niet de indruk dat de rijksoverheid zelf zulk vertrouwen waard is. Over het jarenlang voortslepende probleem van de jeugdhulpverlening moest een commissie arbitreren tussen Rijk en gemeentebesturen. Die arbitrage leidde tot de conclusie dat het Rijk tijdelijk meer moest bijdragen aan de gemeentelijke jeugdzorg. Het regeerakkoord trekt zich hoegenaamd niets van de uitkomst van deze arbitrage aan.

In 2012 werd de gedachte in het toenmalige regeerakkoord geïntroduceerd dat gemeenten zouden moeten worden opgeschaald tot ongeveer 100.000 inwoners in doorsnee. Dat leverde, dacht men, voor het Rijk een forse reductie van kosten op. Die werden als ’opschalingskorting’ maar vast in de begroting ingeboekt. Van die opschaling, een dwaasheid op zichzelf, kwam natuurlijk niets terecht, maar de korting bleef gehandhaafd, al werd die de laatste jaren bevroren. Het regeerakkoord van 2021 zet die bevriezing voort, maar maakt duidelijk dat die na 2025 alsnog wordt ontdooid.

Van plannen tot rigoureuze opschaling is intussen nog steeds geen sprake; die zijn immers nog net zo onzinnig als in 2012. Dus waarom die korting nu niet eindelijk afgeschaft? Daarvoor is te meer reden omdat van de 345 Nederlandse gemeenten er 276 onder een tekort op hun begroting lijden. Dan kan je niet meer spreken van slonzig gemeentelijk beheer; dan is er iets structureel mis met de gemeentefinanciën sinds de decentralisatie van het sociale domein in 2015.

Het regeerakkoord schaft vroom de verhuurdersheffing af, die vooral de woningcorporaties zwaar (en ten onrechte) belast alsof het winstmakertjes zijn. Een volkshuisvestingsfonds gaat voorts helpen de woningbouw te stimuleren. Prachtig natuurlijk, want zowel het tekort aan huurwoningen als aan koophuizen is dramatisch. Het geld ervoor wordt echter weggehaald uit het Gemeentefonds, de jaarlijkse toewijzing van middelen aan gemeentebesturen1). Die worden €1,6 miljard lichter gemaakt. Oude vakbondsvrienden noemen zoiets ‘een sigaar uit eigen doos’2). Die fondsmiddelen worden omgezet in specifieke uitkeringen aan een aantal (grootstedelijke) gemeenten en komen overigens de corporaties ten goede. Alsof niet alle gemeenten middelen nodig hebben voor de volkshuisvesting en alsof het gemeentefonds dient voor gemeentelijke hobby’s. Het overgrote deel gaat op aan wettelijk verplichte uitgaven.

Wie herinnert zich nog motie-Van Dijk-Grinwis3) die de positie van de minister van BZK zou moeten versterken ter bescherming van de lokale democratie? Die is, voor zover het aan het regeerakkoord ligt, alweer vergeten.

Of het allemaal niet genoeg is wordt er volgens het regeerakkoord aan gedacht in de toekomst meer mogelijkheden te scheppen om gemeenten ‘aanwijzingen’ te geven ter uitvoering van nationaal beleid. ‘Aanwijzing’ is een eufemistische term voor bevel. Als bekend wil er in de uitvoering van wettelijke bepalingen nogal eens iets misgaan. Meestal heeft dat te maken met onvoldoende kennis bij de wetgever hoe over zijn producten in de praktijk werken. Het probleem wordt voor het gemak bij de uitvoerende organisatie gelegd. Heel vaak is dat de gemeente.

Blijkbaar wordt gedacht dat gemeenten wel volgens voorschrift kunnen uitvoeren maar het in de praktijk niet willen. Dus moet nu worden geregeld dat die onwil kan worden gebroken met behulp van bevelen. In de verhouding tussen Rijk en gemeenten is dat blijkbaar de ‘nieuwe bestuurscultuur’.

De intussen vertrokken staatssecretaris van Asielzaken was alvast maar begonnen om, hoewel geheel onbevoegd, zulke bevelen te geven om locaties beschikbaar te krijgen in een aantal gemeenten voor noodopvang van asielzoekers. De algemene twijfel aan haar bevoegdheid bleek terecht, zo schreef de staatssecretaris zelf aan de Tweede Kamer. Enig begrip voor haar paniek over het onvermogen van gemeenten voldoende opvang tot stand te brengen is op zijn plaats; niet voor het partijtje blufpoker dat zij vervolgens speelde. Dat getuigde van een fundamenteel wantrouwen in de medewerking van gemeenten aan noodzakelijke beslissingen. Hetzelfde wantrouwen waarmee gemeenten in het regeerakkoord worden tegemoet getreden.

Eigenaardige ‘nieuwe bestuurscultuur’.

 

 

Deze column verscheen oorspronkelijk op Parlement.com