De bijzondere positie van de kerk in coronatijd: een liberale erezaak

maandag 31 januari 2022, 13:00, column van mr.dr Hans-Martien ten Napel

Een kleine twee jaar na de eerste maatregelen lijkt de balans wat de godsdienstvrijheid betreft in Nederland een gematigd positieve. Zeker, er heeft in 2021 een tweede kerst plaatsgevonden zonder grootschalige, en voor menig kerkganger geheel zonder fysieke, vieringen. Toch overheerst het beeld dat het vorige, christelijk-liberale kabinet zorgvuldig met de belangen van de verschillende geloofsgemeenschappen is omgesprongen. In een eerdere blogpost wees ik in dit verband onder meer op de wettelijke uitzonderingspositie voor religieuze samenkomsten bij mogelijke maximeringen van de aantallen bezoekers en de nadruk die Rutte III vanaf het begin van de coronacrisis heeft gelegd op informeel overleg met de diverse levensbeschouwelijke koepelorganisaties.

Aan het slot van deze bijdrage constateerde ik dat het teleurstellend zou zijn indien Nederland niet, ook als de coronatijd nog aanhield, royaal recht zou blijven doen aan de godsdienstvrijheid. Incidenten zouden niet zomaar aanleiding mogen vormen om de bijzondere positie van kerk, moskee en synagoge tijdelijk te beëindigen. De blogpost verscheen op 8 april 2021. Precies twee weken later bereikte de Tweede Kamer een voorstel van wet tot wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met een sluitingsbevoegdheid ten aanzien van publieke en gesloten plaatsen wegens een uitbraak.1 Daarin had het kabinet, na aanvankelijk wederom een uitzonderingspositie voor kerkgebouwen en andere gebouwen ter uitoefening van godsdienst of levensovertuiging te hebben gecreëerd, deze op advies van de Raad van State alsnog geschrapt.

Verkeerd bezig

Gevraagd om een reactie, verklaarde de Groningse hoogleraar Recht en Religie Fokko Oldenhuis dat wie zich in coronatijd liet ‘voorstaan’ op de vrijheid van godsdienst ‘verkeerd bezig’ was. Immers: ‘Kerken staan in deze pandemie op één lijn met theaters en bioscopen.’ Bewust of onbewust, sloot hij met deze uitspraken naadloos aan bij de tijdgeest. Daarin wordt de godsdienstvrijheid immers al snel beschouwd als een privilege en aan het gelijkheidsbeginsel groot gewicht toegekend. Niet voor niets kondigde Yoeri Albrecht aan van zijn debatcentrum De Balie een kerk te willen maken om onder de toenmalige coronamaatregelen toch weer open te kunnen. Overigens attendeerde mijn eerdergenoemde blogpost op het potentieel ‘subversieve’ karakter dat religieuze en culturele samenkomsten met elkaar delen.

Oldenhuis’ Nijmeegse collega Sophie van Bijsterveld liet zich genuanceerder uit over het wetsvoorstel. Toch concludeerde ook zij dat er geen sprake was van een ‘aanslag op godsdienstvrijheid’.2 De reden was dat het kabinet, zoals zij terecht opmerkte, ook zelf een ‘genuanceerde benadering’ volgt. Niet alleen is een beperking van de godsdienstvrijheid bij formele wet op zichzelf toegestaan. Ook dient er sprake te blijven van een ‘redelijke uitleg’ van de godsdienstvrijheid. Het wetsvoorstel bevat bovendien een specifieke procedure ten aanzien van religieuze en levensbeschouwelijke samenkomsten. Daar staat tegenover dat in het verslag door verschillende fracties kritische kanttekeningen worden gemaakt bij de noodzaak van het wetsvoorstel.3 Bovendien heeft uitgerekend in dit geval geen consultatie plaatsgevonden met het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO).

Grotere plaatje

De reden om, ondanks alle nuance bij zowel commentatoren als Van Bijsterveld als bij het kabinet, toch opnieuw aandacht te vragen voor dit wetsvoorstel is gelegen in de wenselijkheid om voortdurend ook het grotere plaatje voor ogen te houden. Zo beklemtoont een recent rapport van het Amerikaanse Religious Freedom Institute het belang van de zogeheten institutionele dimensie van de godsdienstvrijheid. Deze vrijheid betreft meer dan alleen een individueel recht, hoe belangrijk dat ook is. Zij waarborgt eveneens de ‘kerkelijke autonomie’ in de ruime zin van het woord. Deze hebben religieuze organisaties nodig om hun maatschappelijke functie naar behoren te vervullen. Natuurlijk is deze autonomie niet onbeperkt, maar hetzelfde geldt als het goed is voor de autonomie van de staat.

Het bijzondere is dat deze gedachte welbeschouwd een integraal onderdeel uitmaakte van de liberale visie op godsdienstvrijheid, zoals deze tijdens de Amerikaanse Founding heeft vormgekregen. Het hedendaagse liberalisme wijkt daar dermate van af, dat het paradoxaal genoeg bijna voor ‘postliberaal’ wordt aangezien wanneer iemand de klassiek-liberale visie aanhangt. Dat is in zoverre verwarrend, dat in postliberale kring ook visies op de verhouding tussen kerk en staat in het algemeen en de godsdienstvrijheid in het bijzonder terrein winnen, die teruggrijpen op preliberale concepties van wat wij sindsdien als religieuze intolerantie zijn gaan beschouwen. Dit in reactie op de gepercipieerde onverdraagzaamheid van het hedendaagse liberalisme, dat niets meer wil weten van ‘privileges’ voor kerken of zelfs maar overleg daarmee.4

Uiteraard zijn kerken niet verplicht om gebruik te maken van hun uitzonderingspositie en in de Nederlandse situatie zullen de meeste dat niet eens willen. Toch blijft het, om het internationale debat te kunnen volgen, en voor die christelijke en niet-christelijke geloofsgemeenschappen die daar ook hier te lande wel behoefte aan hebben, goed te beklemtonen dat de bijzondere positie van de kerk welbeschouwd een liberale erezaak betreft.

 

Mr. dr. H.-M.Th.D. ten Napel is universitair hoofddocent Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit Leiden.

 

[1] Kamerstukken II, 2020-2021, 35817, nrs. 1-3.

[2] Vgl. ook het ‘Overwegende’ van Van Bijsterveld in de nog te verschijnen tweede aflevering van 2022 van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid.

[3] Kamerstukken II, 2020-2021, 35817, nr. 5.

[4] Vgl. mijn ‘Om de voorrang van God: Liberale en postliberale opvattingen over godsdienstvrijheid vergeleken’, in: Patrick Overeem & Hans-Martien ten Napel (red.), Het radicale midden overzee. Verkenningen van het postliberalisme, Eburon, Utrecht, 2021, 103-120.