Het geheugen van de Tweede Kamer

maandag 28 augustus 2023, 13:00, column van Prof.Dr. Bert van den Braak

Er lijkt opnieuw veel geheugen verloren te gaan uit de Tweede Kamer. Hoeveel Tweede Kamerleden er vertrekken na de verkiezingen van november weten we overigens nog niet. Weliswaar heeft een twintigtal leden aangegeven niet terug te keren, maar vertrek heeft ook te maken met kandidaatstelling en verkiezingsresultaat. Het zullen er nog meer worden.

Verlies van 'geheugen' is zorgelijk en is al langere tijd een patroon en de snelheid van vernieuwing lijkt ook toe te nemen. In het verleden leken partijen iets minder behoefte hadden aan nieuwkomers op de lijst als verkiezingen snel volgden op de vorige (1972, 1982, 2003, 2012). Als de bij de voorgaande verkiezing naar voren geschoven talenten nu al weer worden afgeschreven, is dat wel erg snel. Of dat nu anders zal zijn, valt nog te bezien. Uiteraard kan iemand altijd zelf de conclusie trekken dat het niet is geworden wat ervan werd verwacht.

Veel leden kwamen in 2021 of in de laatste twee jaar 'binnen'. In 2021 verdween bijvoorbeeld ruim de helft van de VVD-fractieleden. In de afgelopen periode vertrokken bovendien ervaren leden als Arib, Van Meenen en Leijten. Het resterende geheugen concentreert zich nu bovendien vooral bij één partij, de PVV.

'Geheugen' is voor de Kamer om meerdere redenen van belang. Er is allereerst een institutioneel belang. De Kamer moet soms als eenheid tegenover het kabinet kunnen optreden, bijvoorbeeld als het gaat om het inlichtingenrecht of om agendakwesties. Dan zijn ervaren 'mannen en vrouwen' van gezag nuttig. Ervaring kan verder procedurele fouten voorkomen.

Ervaring helpt uiteraard ook 'nieuwkomers'. Weliswaar kan de ambtelijke staf hulp bieden en nieuwkomers wegwijs maken, maar in eigen gelederen kennis van procedures is wel handig. Gelukkig zijn er vaak nog wel fractiemedewerkers met die kennis, maar dat is niet altijd het geval.

Kamerleden bouwen als regel een netwerk op en dat gaat verloren bij hun vertrek. Hetzelfde geld voor dossierkennis. Het kan ertoe leiden dat zaken aan de orde worden gesteld die eigenlijk al zijn uitbediscussieerd of veel vragen moeten worden gesteld om basisinformatie te vergaren. Dat is niet erg efficiënt. Het probleem laat zich nog sterker zien bij parlementaire onderzoekscommissie, waarvan de samenstelling tussentijds wisselt.

Op ministeries is het geheugen bovendien beter geborgd, door continuïteit in het ambtelijk apparaat (al lijkt het ook daar af te nemen). Dat zet de Kamer op een achterstand in kennis, waardoor het gewicht van wat ambtenaren melden sterk toeneemt. De mogelijkheden tot 'k i r' (= kluitje-in-het-riet) nemen toe.

Veel doorstroming is voorts niet goed voor de band tussen kiezers en gekozenen. Dat heeft niet alleen te maken met netwerken, maar simpel met 'bekendheid'. Het is voor het 'gemiddelde' Kamerlid erg lastig om 'bekend' te worden. Als de enkelen die dat wel lukt vertrekken, neemt de 'herkenbaarheid' van de Tweede Kamer af. Dan is het alsof alleen de fractieleiders betekenis hebben, terwijl het 'gewone' Kamerwerk door 'gewone' Kamerleden minstens zo belangrijk, zo niet belangrijker is.

Of er veel aan het afnemende geheugen is te doen, is de vraag. Partijen zouden ervaring een hoger belang kunnen geven bij de (hernieuwde) kandidaatstelling, in de wetenschap dat vier jaar eigenlijk te kort is om het 'vak' te leren. Verder moet alles in het werk worden gesteld om politici een veilige werkomgeving (inclusief sociaal media) te bieden. Dat dient een gezamenlijke inspanning te zijn, waarbij duidelijke grenzen worden getrokken.

 

Prof.Dr. Bert van den Braak is onderzoeker bij PDC en hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Universiteit van Maastricht.