N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
De pretentie van het minderheidsakkoord
Het coalitieakkoord is met ruim 33.000 woorden het op twee na langste sinds 1963, toen regeerakkoorden voor het eerst openbaar werden. Het hoofdlijnenakkoord van het nog demissionaire kabinet-Schoof was juist het kortste in twintig jaar, al werd dat later ruim ingehaald met het regeringsprogramma van de ministers zelf – die er alleen weinig daadkracht bij toonden.
Er zijn twee dingen die opvallen bij het nieuwe akkoord.
Ten eerste: de meeste verschuivingen in de aandacht gaan vooral over het herstellen van een ‘normaal’ aandachtspatroon. Er zijn stijgers en dalers, maar gekeken naar de verdeling tussen thema’s, zien we hier geen coalitie die een heel eigen profiel kiest. Dit coalitieakkoord heeft het minste verschil tussen het grootste het kleinste thema sinds 1963.
Hoewel het dus relatief is, daalt de aandacht het meest voor landbouw, gevolgd door justitie en veiligheid en het functioneren van de overheid. De aandacht voor boeren en voor ‘law and order’ is nog wel hoog vergeleken met eerdere regeerakkoorden. Zuinig is de coalitie over knelpunten binnen het openbaar bestuur, ondanks duidelijke uitspraken over verbeteringen van de relatie met lagere overheden en met maatschappelijke organisaties. En er moet efficiënter worden gewerkt met minder ambtenaren: ‘De overheid is fors gegroeid, maar de productiviteitsgroei bleef achter’. Een andere daler is sociale zaken, dit keer zelfs op een absoluut dieptepunt sinds het regeerakkoord van 1965, ruim zestig jaar geleden.
Dit keer zijn volksgezondheid en migratie ook twee grote thema’s, maar niet opvallend stijgend. Het onderwijs en de arbeidsmarkt kregen wel een behoorlijke boost, al was dat in beide gevallen meer het compenseren van een omlaag gevallen peil bij het afgelopen kabinet.
Voor het tweede dat opvalt is de lengte van het akkoord weer relevant en daarbij moeten we ook kijken hoe concreet de voornemens zijn. Je kunt een heel verhaal optuigen, maar als dat vol staat met politieke vaagheden en bezweringsformules, dan zegt het weinig. Maar in dit akkoord worden uitgesproken keuzes gemaakt en er is een uitgebreide bijlage met 72 begrotingsvoornemens. Die kunnen zo de ambtelijke pijplijn in. Tenminste, als ze politiek groen licht kringen.
En hiermee is het opvallendste punt van dit coalitieakkoord vooral de pretentie. Je kunt voor alle regeerakkoorden een pretentieratio bepalen die bestaat uit de verhouding tussen de hoeveelheid voornemens en de omvang van de coalitie in de Tweede Kamer. Hoe meer zetels, hoe meer grip op de voornemens en hoe minder, des te sterker het afhangt van de politieke debatten waar de steun zal blijken of juist niet. Die pretentieratio begon in de jaren zestig met scores van rond de 50 toen regeerakkoorden nog beknopt waren. In de jaren tachtig ging die ratio de 300 voorbij, met langer wordende akkoorden en tweepartijencoalities. Vanaf de jaren negentig ging de pretentieratio op en neer: wisselende coalities die langer of korter van stof waren in al hun aangekondigde plannen.
En dan nu het nieuwe minderheidskabinet-Jetten. Dat moet met maar 44 procent van de zetels in de Tweede kamer voor elk voorstel steun gaan zoeken. Met het op twee na langste akkoord in de afgelopen zestig jaar heeft deze coalitie dan ook een hoge pretentieratio: een score van 766. Er is heel veel nieuwe politiek voor nodig om daarmee niet ernstig in verlegenheid te worden gebracht.
door Arco Timmermans, schrijver en spreker over politiek en lobby, Universiteit Leiden