De raadszaal is geen zijtoneel maar een springplank voor uiterst rechts

maandag 9 maart 2026, 9:52, analyse van Dr. Simon Otjes en Prof.Dr. Léonie de Jonge

Gemeenteraadsverkiezingen worden door velen beschouwd als second-order elections: verkiezingen waar minder op het spel staat dan bij de nationale stembusgang. Gemeenten gaan immers over stoeptegels, zandbakken en afvalinzameling. Maar wie de recente discussies rond asielopvang en de uitvoering van de spreidingswet volgt, ziet dat juist lokaal de meest fundamentele politieke conflicten worden uitgevochten: over de vraag voor wie er plaats is binnen de politieke gemeenschap – en wie daarbuiten valt.

De nieuwe coalitie van D66, VVD en CDA hoopt met het aannemen van de wetten van Marjolein Faber een einde te maken aan de dominantie van migratie op de landelijke politieke agenda. Met een zeer restrictief migratiebeleid hoopt zij de angel te halen uit het inmiddels 25 jaar durende debat en zo uiterst rechts de wind uit de zeilen nemen.

De aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen onderstreept vooral hoe misplaatst die hoop is. In veel gemeenten is de komst van een asielzoekerscentrum een politiek thema geworden. Zodra gemeentebesturen aangeven de komst van een azc te overwegen, leidt dat tot felle bewonersavonden, protestacties en online campagnes. Het politieke debat verhardt, bestuurders worden persoonlijk onder druk gezet en zelfs bedreigd. Uit de Monitor Integriteit en Veiligheid 2024 blijkt dat bijna de helft van de decentrale politieke ambtsdragers – van burgemeesters, wethouders en raadsleden – te maken kreeg met agressie of intimidatie.

De gevolgen zijn tastbaar. In Terneuzen trad burgemeester Erik van Merrienboer vorig jaar terug nadat de gemeenteraad en de wethouders onder zware druk kwamen te staan rond de komst van een azc. Zulke gebeurtenissen illustreren dat lokale besluitvorming over asielopvang allang niet meer louter beleidsmatig is. Het debat verschuift van praktische vragen – waar kan opvang plaatsvinden? – naar existentiële kwesties: wie hoort hier thuis, en wie niet?

Dat is koren op de molen van uiterst rechts. In meerdere gemeenten zijn lokale partijen opgericht die zich expliciet tegen de komst van azc’s keren. In Dordrecht werd bijvoorbeeld de partij Grip op Dordt opgericht door Ruby Pichel, voormalig raadslid voor FVD, en Richard van der Elst, die landelijk bekendheid verwierf als medeorganisator van protesten tegen azc’s. De nieuwe partij organiseerde onlangs zelfs een landelijk congres om gelijkgestemde lokale partijen en initiatieven met elkaar te verbinden en kennis en campagne-ervaring uit te wisselen. Wat op het eerste gezicht een lokaal initiatief lijkt, past daarmee in een breder patroon.

Internationaal onderzoek laat namelijk zien dat uiterst rechtse partijen het thema migratie vaak juist op lokaal niveau aangrijpen om steun te mobiliseren. Volgens politicoloog Antonis Ellinas fungeert de lokale arena geregeld als springplank: uiterst rechtse partijen organiseren of haken aan bij lokale protesten, bouwen netwerken op en normaliseren hun aanwezigheid, voordat zij nationaal doorbreken. De lokale politieke arena is daarmee een belangrijke kweekvijver voor uiterst rechts.

Lokale onvrede

Ook in Nederland zoeken partijen als de PVV en Forum voor Democratie nadrukkelijk aansluiting bij lokale onvrede. Geert Wilders protesteerde afgelopen zomer in onder meer Helmond en Zwolle tegen de komst van azc’s en voerde de druk op lokale bestuurders op. Namens FVD nam Kamerlid Gideon van Meijeren deel aan demonstraties in onder meer Sliedrecht en Aalten. Nationale politici begeven zich zo bewust in het lokale strijdtoneel.

Toch verschilt de lokale politieke inbedding van deze twee partijen aanzienlijk. De PVV is inmiddels bijna twintig jaar een vaste factor in het nationale politieke bestel, maar heeft nooit geïnvesteerd in duurzame lokale organisatie. In 2010 en 2014 deed de partij slechts in twee gemeenten mee. Dat groeide tot ongeveer dertig in 2018 en 2022. Wilders kondigde in 2024 aan in 58 gemeenten te willen deelnemen, maar organisatorisch bleek dat niet haalbaar; in 2026 staat de PVV in 39 gemeenten op de lijst.

De PVV is niet alleen beperkt lokaal aanwezig maar waar ze meedoet, is de partij zwak ingebed. Uit een inventarisatie van Trouw blijkt dat de PVV vier jaar geleden zestig zetels in 31 gemeenten won, maar in elf daarvan verloor zij tussentijds één of meer zetels. Vaak vertrekken lokale politici omdat ze geen contact krijgen met de landelijke PVV maar wel lokaal verantwoordelijk gehouden worden voor de uitspraken van Wilders. De sterk gecentraliseerde partijstructuur – met Wilders als spil in de kandidaatselectie en zonder klassieke ledenstructuur – bemoeilijkt de opbouw van lokale afdelingen. Zonder deze organisatorische worteling is het winnen van zetels een kortstondige electorale opleving die snel vervliegt.

FVD kiest een andere strategie. Waar de PVV lokaal worstelt, is deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen voor FVD onderdeel van een strategie van geleidelijke institutionele verankering. De partij doet dit jaar in 104 gemeenten mee. Die expansie kent een langere aanloop. In 2018 besloot de FVD nog geen eigen lokale afdelingen op te richten, maar te werken met een soort ‘franchisemodel’: bestaande lokale partijen konden via een alliantie het FVD-merk voeren. Inmiddels investeert de partij wél in eigen afdelingen en spreekt zij van ‘gestage groei’. Daarmee lijkt FVD lessen te hebben getrokken uit de organisatorische beperkingen van de PVV: de lokale infrastructuur die zij opbouwt door deelname aan verkiezingen moet de partij duurzaam wortels geven in gemeenten.

Tegelijkertijd blijkt uit onderzoek van NRC en de Volkskrant dat FVD, ondanks een naar eigen zeggen "grondig selectieproces”, kandidaten op de kieslijsten heeft geplaatst die in het verleden racistische uitspraken hebben gedaan of expliciete banden onderhielden met andere extreemrechtse organisaties. Fractievoorzitter Lidewij de Vos heeft zich achter deze kandidaten geschaard. Daarmee laat FVD zien dat lokale expansie niet noodzakelijk gepaard gaat met ideologische matiging. Integendeel: de lokale arena kan ook dienen als ruimte waarin radicale standpunten verder worden genormaliseerd.

Speeltuinen en buurtbarbecues

Internationaal vergelijkend onderzoek bevestigt dit patroon. Uiterst rechtse partijen gebruiken de lokale arena bewust als proeftuin: om strategieën te testen, kaders op te leiden en hun nationalistische visie op de samenleving te verankeren. De Alternative für Deutschland, die in sommige deelstaten door de binnenlandse veiligheidsdienst als „bewezen rechtsextremistisch” wordt bestempeld, knapt speeltuinen op en organiseert lokale buurtbarbecues om met muziek, worst en bier de scherpe randjes van haar programma af te vijlen en mensen aan zich te binden.

Inhoudelijk koppelen ze nationale thema’s als migratie aan concrete lokale kwesties als opvanglocaties of woningbouw. Tegelijk presenteren zij zich als ‘gewone’ lokale bestuurders die zich bezighouden met verkeersveiligheid of kinderopvang. De gemeente fungeert zo als organisatorische toegangspoort én programmatisch laboratorium.

Daarom is er alle reden om te verwachten dat het thema migratie niet alleen tijdens maar ook na deze gemeenteraadsverkiezingen een belangrijke rol zal blijven spelen. In de lokale politiek worden abstracte politieke thema’s concreet. Hier ervaren burgers direct de gevolgen van besluiten over opvanglocaties in hun eigen leefomgeving – en precies daar mobiliseert uiterst rechts steun. De raadszaal is daarmee geen zijtoneel van de nationale politiek, maar een plek waar wordt beslist wie erbij hoort en voor wie er ruimte wordt gemaakt.

Léonie de Jonge is hoogleraar rechtsextremismeonderzoek aan de Universiteit van Tübingen in Duitsland. Simon Otjes is universitair hoofddocent Nederlandse Politiek bij de Universiteit Leiden.